Zaltbommel, Bernsche en Hemertsche Uiterwaard Gemeente Zaltbommel, Plangebied Bernsche en Hemertsche Uiterwaard te Bern

DOI

Inleiding BAAC heeft een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd in het plangebied Bernsche en Hemertsche Uiterwaard te Bern, gemeente Zaltbommel. Aanleiding voor het onderzoek is de aanleg van een aantal geulen. Hiervoor is een omgevingsvergunning noodzakelijk.Bureauonderzoek Uit een update van het in 2021 uitgevoerde bureauonderzoek blijkt dat voor de meandergordels van de Maas een middelhoge verwachting geldt op het aantreffen van nederzettingsresten vanaf de laat- Romeinse tijd tot en met de nieuwe tijd B. Voor de gebieden waar de Hedel meandergordel in de ondergrond voorkomt geldt een middelhoge archeologische verwachting voor nederzettingsresten vanaf de late bronstijd. Het lager gelegen gebied ten noorden van deze stroomrug is vermoedelijk een nattere kom- op oevergrond. Hiervoor geldt een middelhoge archeologische verwachting voor alle perioden vanaf de late bronstijd. De gebieden waar restgeulen van het Oude Maasje voorkomen hebben een lage archeologische verwachting. Ook voor de strangen en gedempte waterlopen geldt een lage archeologische verwachting; wel geldt hier een verwachting voor water gerelateerde objecten.Specifiek worden in het oorspronkelijke, binnendijkse gelegen buurtschap Bern en op de hoger gelegen oeverwal op het Eiland Nederhemert resten uit de middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd B verwacht.Bijzondere aandacht daarbij vormen de oude wegen- en waterpatronen, die op oude (water)kaarten staan weergegeven. Ook blijkt uit een hoogtekaartstudie dat in Onderzoekslocatie Oost mogelijk meerdere aanwijzingen zijn voor huisplattegronden. In tegenstelling tot de conclusies van het bureauonderzoek lijken de oorspronkelijke dijken niet volledig geslecht te zijn. Resten van dijklichamen of andere waterstaatkundige objecten, zoals een hefbrug en een duiker, kunnen mogelijk in de ondergrond aanwezig zijn. In het oostelijke deel van het plangebied kunnen nog restanten van kribben/strekdammen langs de voormalige loop van de Afgedamde Maas in de ondergrond voorkomen.Resultaten inventarisend veldonderzoek, Onderzoekslocatie West Uit het veldonderzoek blijkt dat de Onderzoekslocatie West op een oeverwal ligt. Deze oeverwal heeft zich ontwikkeld op een kronkelwaard van de Maas. In de top van de kronkelwaard is een oude akkerlaag zichtbaar. In een afdekkende zandlaag komt een tweede potentieel oud maaiveld voor. Beide potentieel archeologische niveaus zijn zichtbaar tussen 1,6 en 2,4 m +NAP (vanaf circa 1,0 m -mv). De lager gelegen delen van de kronkelwaard lijken niet toegankelijk te zijn geweest. Hier komen op de zandige ondergrond van de kronkelwaard komafzettingen voor. De oeverwal is vermoedelijk in de middeleeuwen ontstaan langs het Oude Maasje. In de top van de oeverwal zijn vondsten en een kuil uit de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd aangetroffen. Dit oud maaiveld is in het noordelijke deel van de Onderzoekslocatie West afgedekt door een circa 50 tot 60 cm dikke oude woongrond (terp).In het zuidelijke en centrale deel van Onderzoekslocatie West komen recente bodemverstoringen voor. In het zuidelijke deel zijn de verstoringen het gevolg van zandwinning en terugplaatsing van onbruikbaar sediment. In het centrale deel is de bodem recent afgegraven tot in het bedding/kronkelwaardzand of tot in de geulklei van het Oude/Doode Maasje.Resultaten inventarisend veldonderzoek, Onderzoekslocatie Oost Onderzoekslocatie Oost ligt op oude stroomruggronden van de Hedel meandergordel en die van de Maas. De grens tussen beide riviersystemen komt ongeveer overeen met de voormalige ligging van de Bernsche Dijk.Restanten van deze laatmiddeleeuwse dijk zijn zowel in het centraal westelijke als in het oostelijke deel in de ondergrond aangetroffen. De westelijke dijk is aangelegd op een afgedekte restgeul van de Maas. De oostelijke dijk is aangelegd op een oeverwal van de Maas. Binnendijks komen diverse aanwijzingen voor bewoning en infrastructuur voor, die te relateren zijn aan het (laat)middeleeuwse landschap. Buitendijks komen waterstaatkundige objecten (hefbrug, watergangen, secundaire dijken, duikers, strekdammen) voor, die alle te maken hebben met het reguleren van de waterhuishouding. De bodem is op de locaties waar waterstaatkundige objecten en/of infrastructurele werken in de ondergrond liggen vrijwel overal tot in de onderliggende oever- of beddingafzettingen verstoord.De oudere Hedel meandergordel ligt in het centraal oostelijke deel van het plangebied. De stroomrug wordt gekenmerkt door een hoog gelegen oeverwal in het zuiden en een lager gelegen restgeul in het noorden. Op de oeverwal van de Hedel meandergordel is tevens een smallere kronkelwaard- of doorbraakgeul aanwezig. Het paleoreliëf is na het graven van Bergsche Maas verder versterkt door afdekking met een recente oeverwal van de Bergsche Maas. De top van de oeverwal van het Hedel riviersysteem is grotendeels intact en komt voor vanaf 1,7 à 2,1 m +NAP (30 à 90 cm -mv). De restgeul is circa 80 m breed en komt voor vanaf 0,4/0,6 m +NAP (1,5/2,0 m -mv). De restgeul is bedekt door een crevasse die afkomstig is van een oeverwaldoorbraak van de Maas.Aan de noordoostzijde van de restgeul van het Hedel riviersysteem komt vermoedelijk een oeverwal van de Maas voor. Deze oeverwal is geërodeerd tijdens een oeverwaldoorbaak (crevasse). Verder oostwaarts is de oeverwal afgedekt met een kleidek dat vermoedelijk is afgezet tijdens een dijkdoorbaak (overslag). In de top van de crevasse komt een oud maaiveld voor vanaf 30 à 85 cm -mv. In de top van de oeverafzettingen van de Maas, al dan niet afgedekt door een overslaggrond, komt een oud maaiveld voor vanaf 30 à 120 cm -mv. De top van de oever- of crevasseafzettingen komt op variabele diepte voor vanaf 1,2 à 2,0 m +NAP.De oorspronkelijke buitendijkse gelegen gebieden bestaan in z’n geheel uit restgeul-, oever- en beddingafzettingen van de Maas. Het westelijke deel ligt grotendeels binnen het stroombed van het Oude Maasje. Hier komen veel bodemverstoringen voor. Aan de oostzijde van het Oude Maasje komt een in twee fases opgebouwde oeverwal voor. Een jongste fase uit de middeleeuwen-nieuwe tijd en een oudere fase uit de laat-Romeinse tijd-vroege middeleeuwen. In de top van het oudste oeverpakket komt een bodem voor vanaf 1,6 à 1,8 m +NAP (vanaf 85 cm -mv). Aan de oostzijde van deze oeverwal, ter hoogte van de voormalige Bernsche Dijk, ligt een restgeul van de Maas in de ondergrond. De restgeulafzettingen komen hier voor vanaf circa 1,2 m +NAP (140 cm -mv). Het oostelijke deel ligt overwegend binnen de contouren van recente Maaslopen, strangen of is recent door de Bergsche Maas geërodeerd. Een klein gedeelte in het buitendijkse gebied is niet geërodeerd. In deze zone komt een oeverwal met intacte bodem van de Maas voor op 2,1/2,3 m +NAP (35/60 cm -mv).Archeologische verwachting De archeologische verwachting uit het bureauonderzoek kan voor de gebieden waar intacte oeverwallen van de Oude Maas, de Maas en/of het Hedel riviersysteem voorkomen gehandhaafd blijven. De verwachting voor de oude oeverwal in Onderzoekslocatie West kan naar boven toe worden bijgesteld naar een hoge archeologische verwachting. Op deze oeverwal zijn tijdens het veldwerk aanwijzingen van bewoning en menselijke activiteit uit de (late middeleeuwen-)nieuwe tijd waargenomen. Eventueel aanwezige archeologische nederzettingsresten worden vanaf maaiveld in maximaal vier potentieel archeologische niveaus tot circa 2 m -mv verwacht.De restgeulen van het Hedel riviersysteem en van de Maas hebben een middelhoge archeologische verwachting op het aantreffen van water gerelateerde complextypen (boten, aanlegsteigers, rituele deposities, huisafvaldumps etc.) vanaf respectievelijk de Romeinse tijd en de bronstijd. De restgeulafzettingen van de Maas worden vanaf circa 1,2 m +NAP (140 cm -mv) en van het Hedel riviersysteem vanaf 0,4/0,6 m +NAP (150/200 cm -mv) verwacht. De kans op water gerelateerde resten, waaronder scheepswrakken, is voornamelijk groot in de licht gelaagde, plantenrest houdende, fijnzandige (geul)beddingzanden.De gebieden met clusters aan bodemverstoringen tot in de oever-/of beddingafzettingen hebben een lage archeologische verwachting voor alle perioden toebedeeld gekregen. Ook het stroombed van het Oude Maasje en de oorspronkelijke buitendijkse gebieden zonder duidelijk verweerde bodem hebben een lage verwachting toebedeeld gekregen. Deze gebieden zijn namelijk tot ver in de nieuwe tijd te nat voor menselijke bewoning/activiteit. Lokaal aangetroffen bodemverstoringen zijn vermoedelijk het gevolg van de aanwezigheid van waterstaatkundige objecten, historisch-geografische lijnelementen en/of oude huisplaatsen in de ondergrond.Advies BAAC adviseert om bodemverstorende activiteiten in de gebieden met een middelhoge of hoge verwachting of ter hoogte van bijzondere historisch-geografische of waterstaatkundige elementen zo veel mogelijk te vermijden. Indien dat niet mogelijk is, adviseert BAAC voor deze gebieden een vervolgonderzoek uit te laten voeren. BAAC adviseert om de oeverwallen en mogelijk oude huisplaatsen te onderzoeken door middel van een proefsleuvenonderzoek, de restgeulen door middel van haaks op de rivier gelegen landschapssleuven en de waterstaatkundige objecten en historisch-geografische lijnelementen door middel van coupures en/of proefputjes. De vrijstellingsdiepte voor aanvullend onderzoek in de restgeulen van de Maas en het Hedel riviersysteem bedraagt respectievelijk 1,2 en 1,3 m -mv. Voorafgaand aan het gravend onderzoek dienen de eisen waaraan het onderzoek dient te voldoen, te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).Besluit De bevoegde overheid heeft ingestemd met de rapportage en heeft het door BAAC opgestelde advies als selectiebesluit volledig overgenomen. Als aanvulling op het advies stelt de bevoegde overheid dat het nietonderzochte deel dat grenst aan Onderzoekslocatie West nog niet vrijgegeven kan worden. Deze zone grenst aan een vindplaats uit de (late middeleeuwen-)nieuwe tijd, waarvan de begrenzing op basis van het uitgevoerde booronderzoek niet kan worden vastgesteld. Een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven zal ook over een deel van dit terrein moeten worden uitgevoerd met als doel om de begrenzing van de vindplaats vast te stellen.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-zsx-nrab
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-zsx-nrab
Provenance
Creator C.C. Kalisvaart
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor R.C.B. Steenbak; BAAC
Publication Year 2023
Rights DANS Licence; info:eu-repo/semantics/restrictedAccess; https://doi.org/10.17026/fp39-0x58
OpenAccess false
Contact R.C.B. Steenbak (Provincie Noord-Brabant)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/pdf; application/gml+xml; application/vnd.openxmlformats-officedocument.spreadsheetml.sheet; image/jpeg; application/zip; text/xml
Size 53634; 30445; 120131; 36283; 292335; 1792081; 1711260; 109150; 4754334; 123134; 47676; 38475; 11933; 234995; 6023; 830; 1442; 46031; 17629; 2912; 2337; 1148; 5135; 1831; 1895; 2143; 1475; 1158; 1624; 1902; 1391; 1237536; 978; 1602; 146700; 1445; 2253; 1280; 1023398; 907; 1208; 2963; 980; 38275; 1470; 2117; 2075; 1563; 2927; 3040; 2250; 195543; 50105; 2066; 11293689; 27716029; 5821275; 5293368; 5281223; 4533946; 5939074; 4700090; 5407715; 5707134; 253508
Version 1.0
Discipline Humanities