Laagland Archeologie heeft in april 2022 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Apeldoornseweg 32 te Hattem. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de geplande aanleg van een zwembad met gebouw, een zitkuil en een beek.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Op de geomorfologische kaart ligt het plangebied in een zone met een glooiing van sneeuwsmeltwaterafzettingen. Het meest westelijke deel van het plangebied ligt op een stuwwal. Op het AHN is te zien dat het westelijke deel van het plangebied tegen een verhoging in het landschap ligt die overeenkomt met de stuwwal op de geomorfologische kaart. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een laagte in het landschap. Bodemkundig ligt het gebied in een zone met kamppodzolgronden. Tegen de oost- en westgrens van het plangebied liggen zones met haarpodzolgronden.In de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit de Middeleeuwen bekend. In historische tijden (vanaf circa 1832) werd het terrein omschreven als bouwland. Het meest zuidoostelijke deel van het plangebied is rond 1832, mogelijk al in 1787 bebouwd geweest. Rond 1935 schuift de bebouwing meer op naar het midden van het plangebied. het westelijke deel van het plangebied is nooit bebouwd geweest.Op basis van het bureauonderzoek geldt een middelhoge verwachting voor resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Vroeg-Neolithicum en een hoge verwachting op resten uit de periode Midden-Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd worden daarbij specifiek in het meest oostelijke plangebied verwacht. Hier zijn echter geen bodemverstorende ingrepen voorzien.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat er sprake is van een verstoord bodemprofiel met een gemiddelde dikte van circa 60 cm. Hieronder is bij vijf boringen een redelijk intacte E-horizont aangetroffen en in acht boringen een redelijk intacte B-horizont. Alleen in boring 10 en 2 is de bodem tot in de C-Horizont verstoord. Op basis van de resultaten van veldonderzoek blijft het verwachtingsmodel van het bureauonderzoek gehandhaafd.Op basis van het booronderzoek worden archeologische resten verwacht. Indien hier bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden, is archeologisch vervolgonderzoek van toepassing. Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een karterend onderzoek. Hierbij worden in totaal ongeveer 15 karterende boringen gezet op de daadwerkelijk te verstoren locaties.Dit advies is in handen van de bevoegde overheid, de gemeente Hattem. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, de heer M. Klomp.Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).