In april en mei van 2015 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het kader van een omgevingsprocedure voor reconstructiewerkzaamheden aan de Dr. de Brouwerlaan en de Hendrik Verheeslaan in Boxtel (gem. Boxtel; figuur 1). Het plangebied heeft een omvang van circa 4200 m2. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Boxtel heeft het grootste deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting (categorie 4; bijlage 1). De zuidwestelijke hoek van de kruising Dr. de Brouwerlaan – Hendrik Verheeslaan heeft op de beleidskaart een middelhoge archeologische verwachting (categorie 5). Voor de hoge verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht voor geplande bodemingrepen met een omvang groter dan 250 m2 en een diepte van meer dan 40 cm onder maaiveld. Voor de middelhoge verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht voor geplande bodemingrepen met een omvang groter dan 2500 m2 en een diepte van meer dan 40 cm onder maaiveld. Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een archeologische quickscan en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Op basis van het vooronderzoek is in de zone van boringen 1 t/m 7 (noordelijk deel plangebied / Dr. de Brouwerlaan) sprake van een lage tot middelhoge verwachting op archeologische resten uit voornamelijk de Bronstijd-Romeinse tijd; waarschijnlijk uitsluitend in de vorm van grondsporen (bijv. van erfstructuren), al dan niet met begeleidend vondstmateriaal. Daarnaast is sprake van een hoge verwachting op ontginningspatronen uit de Nieuwe tijd, maar deze zijn archeologisch minder relevant vanwege de beschikbare historische kaarten van het gebied. Gezien de verstoring van de bodem in de meeste boringen tot in de C(g)-horizont worden geen nederzettingslagen of vuursteenvindplaatsen verwacht. Derhalve is de verwachting op archeologische resten uit de periode van het LaatPaleolithicum B t/m het Neolithicum laag. Voor wat betreft het zuidelijke deel (boringen 8 t/m 14 / Hendrik Verheeslaan) is de verwachting op nederzettingsresten uit alle perioden laag. Dit gezien de landschappelijk lagere ligging, het ontbreken van enkeerdgronden en de verstoring van het dekzand tot in de C(g)-horizont.