Waterland Monnickendam Waterlandse Zeedijk Bureau-onderzoek

DOI

ADC ArcheoProjecten heeft in september 2016 een bureauonderzoek verricht naar de archeologische waarde van het trajectdeel ‘Waterlandse Zeedijk en Zeedijk, gemeente Waterland’ van de provinciale weg N518. De aanleiding van het onderzoek is het voorgenomen groot onderhoud aan de weg over een lengte van circa 6 km (tussen km 5,67 en 12,58).Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Hieruit volgt dat in de periode IJzertijd t/m Vroege Middeleeuwen het plangebied onderdeel vormde van een uitgestrekt veenmoeras. Aangenomen wordt dat vanwege dit gegeven in deze periode geen of nauwelijks bewoning aanwezig was. Binnen het onderzoeksgebied zijn ook geen sporen of vondsten uit deze periode bekend.Pas vanaf de tweede helft van de 10e eeuw na Chr. werd het gebied vanuit de veenriviertjes de Waterlandse Die en de Ooster Ee ontgonnen. Als gevolg van de hiermee gepaard gaande maaivelddaling werden vanuit de Zuiderzee grote delen van het veengebied weggeslagen. In de 12e eeuw begon men daarom met het opwerpen van lage kades die langzaam werden uitgebreid en opgehoogd. Nadat het gebied in 1288 definitief onder het gezag van de Graaf van Holland was gebracht, werd het dijkonderhoud meer centraal georganiseerd en inmiddels was er ook sprake van een gesloten dijkring rond Waterland. Dit betreft de huidige Waterlandse Zeedijk, die zich ter plaatse van het westelijke en centrale deel van het plangebied bevindt. Hier moet dan ook rekening worden gehouden met opgebrachte pakketten, die inzicht kunnen geven in de geschiedenis van de dijk. Uit geotechnische boringen blijkt dat het dijklichaam hoofdzakelijk uit schelphoudende, matig tot sterk siltige klei bestaat. Verder kunnen resten van een oud wegdek worden aangetroffen in de vorm van puin, grind en/of klinkers.Op grond van de aanwezig van een verkeersweg moet echter worden aangenomen dat delen van de dijk zijn vergraven bij het aanbrengen van de wegfundering. Verder moet rekening worden gehouden met verstoringen als gevolg van de aanleg van kabels en leidingen. Uit geotechnische boringen blijkt dat de bovenste circa 50 cm van het profiel ter plaatse van de wegberm bestaat uit recent opgebrachte pakketten (zand en puinhoudende klei). Het wegcunet bestaat uit een circa 150 cm dik lichaam van matig grof zand.Het oostelijk deel van het plangebied maakt geen deel uit van de Waterlandse Zeedijk, maar betreft een in 1957 aangelegde dijkweg, die het voormalige eiland Marken met het vasteland verbindt.Deze dijkweg doorsnijdt de Gouwzee en de laatmiddeleeuwse veenontginning De Nes. Op de bodem van Gouwzee moet rekening worden gehouden met resten van bewoning en bedijking uit de 11e-13e eeuw (uit de periode vóór de aanleg van de Waterlandse Zeedijk), die als gevolg van de uitbreiding van de Zuiderzee onder water kwamen te liggen. Aangenomen wordt dat eventuele resten bij de aanleg van de dijkweg zijn vergraven of als gevolg van zetting sterk zijn verstoord. Dit geldt ook voor eventuele in de veenontginning De Nes aanwezige resten.ADC ArcheoProjecten adviseert gezien bovenstaande verwachting om bij grondroerende werkzaamheden dieper dan 50 cm –mv in het westelijke en centrale deel van het plangebied (Waterlandse zeedijk) een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uit te voeren. Het doel van dit onderzoek is het bepalen van de dikte van de fundering van de huidige weg en de opbouw van de dijk. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA). Bij werkzaamheden waarbij geen of alleen ondiepe grondroering plaatsvindt, zoals het frezen van asfalt, wordt geen verder onderzoek noodzakelijk geacht.Met betrekking tot het oostelijk deel van het plangebied (dijkweg Marken) wordt geadviseerd dit vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling, omdat hier geen archeologische resten worden verwacht. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet.

Waterlandse Zeedijk en Zeedijk (N518), gemeente Waterland

Een Bureauonderzoek

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/DANS-24A-NYTF
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/DANS-24A-NYTF
Provenance
Creator R.M. van der Zee
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor M.G. Nieuwenhuijsen; E. Jacobs (ADC ArcheoProjecten); ADC ArcheoProjecten
Publication Year 2017
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact M.G. Nieuwenhuijsen (ADC ArcheoProjecten)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; application/pdf
Size 9976; 8997; 988; 8555; 6062063
Version 1.0
Discipline Humanities