Gespecificeerde archeologische verwachting.
Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het merendeel/overgrote deel van het plangebied binnen een omvangrijke dekzandrug ligt (hoog gelegen terrasrest met een dik pakket dekzand), waarop waarschijnlijk een (dik) plaggendek is aangebracht. Alleen het uiterst noordwestelijke en noordelijke deel van het plangebied ligt op de overgang naar dan wel in een dekzandvlakte (terrasrest met of nog een dunne laag dekzand dan wel waar dekzand (vrijwel) ontbreekt). De hoger gelegen dekzandruggen hadden een gunstige ligging voor Jager-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum t/m Vroeg-Neolithicum) als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). De rivieroverstromingsvlakte verder ten noorden van het plangebied had een grote aantrekkingskracht voor wild, waarop gejaagd kon worden. Ook voor Landbouwers waren de dekzandruggen de meest gunstige locaties. De grootte van de dekzandruggen vormde voldoende areaal aan goed ontwaterde gronden voor landbouw. Voor de perioden IJzertijd-Romeinse tijd-Middeleeuwen is de algemene tendens dat de huisplaatsen steeds plaatsvaster werden en zich vaak verplaatsen naar de flanken van de dekzandruggen en mogelijk voor (langere) perioden naar de dekzandvlakten. De flanken van dekzandruggen waren ook geschikt voor de aanleg van waterputten/drenkkuilen (er hoeft minder diep gegraven te worden aar het grondwater, terwijl de waterput/drenkkuil wel nabij de nederzetting lag) en voor het gebruik als dumpzone (afval).
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal geeft aan dat het gehele plangebied vanaf het begin van de tweede helft van de 18e eeuw langdurig in gebruik was als bouwland. De bestaande Onze-Lieve-Vrouw Altijddurende Bijstandkerk en pastorie in het zuidwestelijke deel van het plangebied zijn gebouwd in 1925. Uitbreiding van bebouwing nabij deze kerk heeft voornamelijk plaatsgevonden vanaf de jaren ’30 van de 20e eeuw. vanaf de jaren ’70 van de 20e eeuw ging het plangebied behoren tot het terrein van zorginstelling Fatima Zorg en hebben gedurende de laatste decennia van de 20e eeuw als ook het begin van de 21e eeuw diverse bouwwerkzaamheden plaatsgevonden. Vooronderzoeken (bureau- en booronderzoek) binnen twee terreindelen binnen het plangebied hebben niet geresulteerd in het aantreffen van archeologische indicatoren en de bodem was veelal sterk verstoord. Enkele andere prospectieve onderzoeken uitgevoerd binnen het onderzoeksgebied hebben geresulteerd in het aantreffen van laatprehistorisch kwartsgemagerd aardewerk en middeleeuws aardewerk. Een gravend onderzoek in het noordoostelijke deel van het plangebied heeft tot op heden niet geresulteerd in het aantreffen van (een) behoudenswaardige vindplaats(en). Wel zijn veel vondstmeldingen gedaan van oppervlaktevondsten door de heer Koster rond begin jaren ’90 van de 20e eeuw ten noorden en noordoosten van de bebouwde kom van Nieuw-Wehl (waar oppervlaktekarteringen ook beter konden worden uitgevoerd, gezien het grootschalig gebruik als akkerland). Het betreffen zowel resten uit de Late-Prehistorie (IJzertijd, Romeinse tijd, Vroege- en Late-Middeleeuwen) als resten uit de (Late-)Steentijd (eerste landbouwers die ook nog vuursteen als gereedschap gebruikte). De vele vondsten geven aan dat de (flanken van de) dekzandruggen geschikte bewoningslocaties vormden en daarmee ook het plangebied.
Op basis van bovenstaande uitgangspunten, en conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem, kunnen er in het plangebied archeologische resten voorkomen uit alle ar-cheologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. Voor de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Middeleeuwen wordt de kans op het voorkomen van resten hoog geacht (zie tabel IX) ter plaatse van de geplande en gefaseerde nieuwbouwlocaties. Ter plaatse van de geplande en gefaseerde nieuwbouwlocaties worden eventueel aanwezige archeologische resten worden verwacht in het (matig dikke) plaggendek (Aa-horizont) en in de top van de dekzandafzettingen (top van de afgedekte podzolbodem, of restant hiervan). De vondstenlaag is opgenomen onderin het plaggendek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het plaggendek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) zullen zich bevinden tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. De diepteligging van de vondstenlaag is afhankelijk van de dikte van het plaggendek. De aanwezigheid van een (matig dik) plaggendek zal gefungeerd hebben als beschermende laag, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk goed zijn geconserveerd. Opbrengen van dit plaggendek heeft plaatsgevonden in ieder geval vanaf de tweede helft van de 18e eeuw, maar waarschijnlijk eerder.
In het plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. De kans op het voorkomen van resten wordt voor de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Middeleeuwen hoog geacht ter plaatse van de geplande en gefaseerde nieuwbouwlocaties.
Conclusie.
Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Er geldt ten aanzien van de geplande en gefaseerde nieuwbouwlocaties een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten/sporen uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Middeleeuwen.
Advies.
Op grond van de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Door de initiatiefnemer is gekozen om het vervolgonderzoek direct te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), gefaseerd voor de verschillende bouwfases verspreid over meerdere jaren. Vooralsnog wordt uitgegaan van één archeologisch sporenniveau. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd (gemeente Doetinchem) Programma van Eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.