Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoekHet plangebied is gelegen op de beddinggordel van Meinerswijk. Deze beddinggordel is actief geweest vanaf de Late-IJzertijd. In de afzettingen kunnen dan ook resten uit alle periodes vanaf de Late-IJzertijd worden verwacht. Resten ouder dan de Late-IJzertijd worden niet verwacht, vanwege de eroderende werking van de rivierbeddingen. Voor de IJzertijd geldt een lage verwachting. In deze periode was sprake van hoge rivieractiviteit en in de omgeving van het plangebied zijn geen vindplaatsen uit deze periode bekend. De oudst bekende vindplaatsen in de directe omgeving van het plangebied dateren uit de Romeinse tijd. Het gaat hierbij om een klein aantal vondstlocaties, op enige afstand van het plangebied. Voor de Romeinse tijd geldt derhalve een middelhoge verwachting voor het plangebied.In de periode Middeleeuwen - Nieuwe tijd was het plangebied gelegen direct buiten de stad Huissen. Op zeer korte afstand ten oosten van het plangebied stond de Arnhemse Poort. De doorgaande weg vanaf Huissen naar Arnhem lag over de dijk. Ter plaatse van de huidige Korte Loostraat was, in ieder geval in de Nieuwe tijd, eveneens sprake van een historische weg. Verder betreft het een gebied met verspreid gelegen bebouwde erven. Hoewel het plangebied in de Nieuwe tijd ter plaatse van de historische weg lag, is niet duidelijk of dit in de Middeleeuwen ook het geval was. Voor de Middeleeuwen geld derhalve een hoge verwachting voor bebouwde (boeren)erven. Resultaten inventariserend veldonderzoekIn de basis van de boringen zijn beddingafzettingen van de Meinerswijk stroomgordel aangetroffen, met daarop oeverafzettingen. In de top van de natuurlijke afzettingen is in de boringen 1003 en 1006 een Bw-horizont aangetroffen. In de overige boringen bestond de top van de natuurlijke afzettingen direct uit de C-horizont. Op de natuurlijke ondergrond ligt een dik antropogeen pakket, variërend in dikte van circa 90 tot >160 cm. De top van het antropogene pakket bestaat uit een klinkerverharding, met daaronder een zandpakket dat geïnterpreteerd is als recent (20e-eeuws) stabilisatiezand/cunetzand. De totale dikte van het klinker- en zandpakket varieert van circa 40 tot 100 cm. Hieronder bevinden zich geroerde/opgebrachte lagen in wisselende samenstelling. Tijdens het veldonderzoek zijn in alle boringen archeologische indicatoren aangetroffen, waaronder aardewerk, houtskool, sintels, bouwpuin, etc. de dateerbare indicatoren waren allen van (sub)recente ouderdom (19e - 20e eeuw). De overige indicatoren (houtskool, sintels, baksteenpuin) zijn niet gedateerd. Conclusie en adviesOp basis van het bureauonderzoek gold een lage verwachting voor de IJzertijd, een middelhoge verwachting voor de Romeinse tijd een hoge verwachting voor de Middeleeuwen en eveneens een hoge verwachting voor resten van historische wegen uit de Nieuwe tijd voor het gehele plangebied vanwege de ligging in de historische kern van Huissen. Tijdens het booronderzoek is gebleken dat het plangebied inderdaad ter plaatse van de Holocene beddinggordels gelegen is. De natuurlijke afzettingen zijn afgedekt door een dik antropogeen pakket, dat grotendeels bestaat de klinkerverharding en een 20e-eeuws pakket cunetzand. Hieronder zijn oudere, geroerde/opgebrachte lagen aangetroffen zonder diagnostisch vondstmateriaal. Aangezien in twee boringen een restant van de Bw-horizont is aangetroffen, wordt er vanuit gegaan (in ieder geval plaatselijk) sprake kan zijn van relatief intacte bodemprofielen onder de recente ophogingslagen. De verwachting zoals opgesteld in het bureauonderzoek blijft dan ook behouden. Verder blijkt uit de resultaten van het booronderzoek dat de geplande ingreep binnen het merendeel van het plangebied tot in het archeologisch niveau zal reiken. Geadviseerd wordt derhalve om een vervolgonderzoek uit te voeren.Van de geplande ingrepen zal met name het graven van nieuwe leidingsleuven buiten de contour van de sleuf van het bestaande riool tot mogelijke verstoring van archeologische waarden leiden. Deze verstoring betreft een langgerekte, smalle sleuf tot in/onder het archeologisch niveau. De verstoring die deze ingreep zal veroorzaken aan vindplaatsen zal relatief gering zijn. Ook wordt verwacht dat de geringe breedte van de sleuf zal leiden tot een relatief beperkt inzicht in de aard en omvang van eventueel aanwezige vindplaatsen (met uitzondering van de verwachte historische weg). Geadviseerd wordt derhalve om een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek, variant archeologische begeleiding. Tijdens dit onderzoek wordt het bodemprofiel in de aangelegde rioolsleuf gedocumenteerd en wordt het openliggende deel van de sleuf geïnspecteerd op aanwezigheid van archeologische vondsten en sporen. Dit onderzoek heeft met name tot doel meer inzicht te vergaren in de bodemopbouw en een eerste indruk te verkrijgen van de eventueel aanwezige of te verwachten vindplaatsen ter plaatse van en/of rondom het plangebied. Bij het aantreffen van bijzondere of onverwachte archeologische waarden, kan eventueel opgeschaald worden naar een opgraving, variant archeologische begeleiding. Voor zowel het proefsleuvenonderzoek als de opgraving dient een Programma van Eisen opgesteld te worden.De rapportage is beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Lingewaard) en voldoet aan de gestelde eisen. Het advies om een proefsleuvenonderzoek of opgraving uit te voeren wordt echter niet onderschreven. Gezien de aard van de werkzaamheden (rioolaanleg) en de situatie ter plaatse (gedeeltelijk smalle straat met aan weerszijden bebouwing en de aanwezigheid van vele kabels en leidingen), dient een archeologische begeleiding conform protocol 4004 ‘Opgraven’ te worden uitgevoerd. Ook voor deze archeologische begeleiding dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld.
Date Accepted: 2019-06-13