Rijsbergen Zuid (Kerkakkerstraat) te Rijsbergen

DOI

De structuren die tijdens dit onderzoek aan de Kerkakkerstraat te Rijsbergen-Zuid zijn aangetroffen passen goed in de bouwtraditie van de Midden- en Late IJzertijd in West-Brabant en aangrenzend Vlaanderen. Het gaat om boerderijen van het type Haps/Oss Ussen 4A/B. Kenmerkend voor boerderijen van dit type zijn tegen over elkaar gesitueerde ingangen, waardoor het gebouw min of meer in twee gelijke delen wordt verdeeld en de centrale rij van middenstijlen. Dit maakt het basisgrondplan van deze boerderijen tweebeukig. Een bijzonder kenmerk van dit type boerderijen in West-Brabant is het gecombineerde twee- en vierbeukige karakter van de boerderij. Waarschijnlijk hangt dit samen met een functionele indeling van het gebouw in een tweebeukig woongedeelte en een vierbeukig stalgedeelte. De binnenstaanders in het vierbeukige stalgedeelte konden tevens dienen als afscheiding voor de verschillende stalboxen waarin het vee dikwijls paarsgewijs stonden gestald. Het tweeschepige karakter van het woongedeelte past in de meer algemene ontwikkeling van laatprehistorische boerderijen waarbij men steeds nadrukkelijker een open binnenruimte in het woongedeelte probeert te creëren, waarbij de daklast steeds meer naar de buitenstijlen wordt verplaatst. Verdere aanwijzingen voor deze functionele indeling van boerderijen uit deze periode, zoals de aanwezigheid van een haard in het woongedeelte en/of stalboxen in het stalgedeelte, worden maar hoogstzelden aangetroffen omdat het oorspronkelijke leefniveau door jongere agrarische activiteiten is verstoord. Een uitzondering hierop is de opgraving te Becht-Overbroek Capelakker waar een haard met daarin aardewerk werd opgegraven in het meest ruime westelijke gedeelte van de plattegrond. Dit sluit aan bij de veronderstelde woonfunctie van het westelijke deel in de boerderijen van Rijsbergen-Kerkakkerstraat. De haard kan daarom worden gelokaliseerd ten westen van stijl S37 in Huis 1, tussen de staanders S327 en S337 in Huis 2 en tussen de staanders S425 en S427/428 in Huis 3. Overigens komt de O-W oriëntatie of variaties daarop vrij veel voor bij Midden- en Late IJzertijd-plattegronden. De levensduur van boerderijen is al lang een punt van discussie onder archeologen. Tot voor kort genoot de opvatting van Gerritsen, die de leeftijd van de boerderij koppelde aan de levenscyclus van haar bewoners, breed aanhang onder archeologen. Daarmee kwam de veronderstelde levensduur van een boerderij op 20-30 jaar te liggen. Al snel kwamen echter gegevens beschikbaar die uitwezen dat houten boerderijen een veel langere levensduur van soms wel meer dan 100 jaar konden hebben. Tegelijkertijd is het opmerkelijk dat het weliswaar kleine aantal diagnostisch dateerbare scherven eenduidig in fase J van Van den Broeke kan worden gedateerd. Een fase waaraan door Lanting & Van der Plicht een datering is gehangen van 190-125 v. Chr. is gehangen (zie paragraaf 3.3). Dit maakt de kans groot dat meerdere boerderijen tegelijkertijd bewoond zijn geweest. Dit geldt zeker voor de boerderijen 2 en 3. Deze zijn sterk vergelijkbaar in constructiewijze van in het bijzonder de wandconstructie en vertonen grote overeenkomst in oriëntatie. Opmerkelijk is tevens dat de plattegronden elkaar niet overlappen en dat deze gebouwen slechts op geringe afstand van elkaar hebben gestaan. Het zou hier een ‘Mehrbetriebsgehöft’, een erf met daarop meerdere, gelijktijdig functionerende boerderijen, kunnen betreffen. Een aanwijzing dat boerderij 1 vroeger of later is dan de beide andere boerderijen is de oversnijding van boerderij 3 en de palenrij. Deze zijn met zekerheid niet gelijktijdig aanwezig geweest en de kans is groot dat deze palenrij bij boerderij 1 moet worden gerekend.De opgravingsgegevens staan niet toe om bijgebouwen met zekerheid aan bepaalde boerderijen toe te schrijven. Hoogstwaarschijnlijk zullen de bijgebouwen 9, 10 en 11 wel bij boerderij 2 en/of 3 hebben gehoord. De bijgebouwen 1 en 12 zullen wel bij boerderij 1 hebben behoord. De bijgebouwen 2 t/m 7 kunnen echter zowel bij boerderij 1 als bij de boerderijen 2 en 3 hebben behoord.Er is bewust gekozen voor de term ‘bijgebouw’ aangezien maar weinig met zekerheid te zeggen valt over de bovengrondse constructie. Wel is aannemelijk dat een deel van deze structuren ‘spiekers’ voor de opslag van landbouwproducten en/of huisraad zullen zijn geweest.Spoor 43/86 is in het veld door tijdsdruk niet gecoupeerd, maar geïnterpreteerd als waterput. Gezien de locatie van deze ‘waterput’, direct ten zuiden van de zuidwand van boerderij 1 is deze interpretatie inderdaad waarschijnlijk. Onduidelijk is hoe de bewoners van de boerderijen 2 en 3 zich van drinkwater hebben voorzien, maar misschien liggen deze boerderijen daarvoor te dicht bij de opgravingsgrenzen. Een bijzondere structuur is bijgebouw 8 door zijn ongebruikelijk grote afstanden tussen de hoekstijlen en door de dubbele paalzetting. Het is ook goed mogelijk dat deze structuur verband houdt met de palenrij, maar dat blijft speculatie.

Proefsleuven met een doorstart naar een opgraving

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-zsg-dg3c
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-zsg-dg3c
Provenance
Creator I. Hesseling; D.A. Gerrets
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor P.J.M. Luytelaar, van; W. van der Zijpp; Synthegra bv
Publication Year 2014
Rights CC0 1.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/publicdomain/zero/1.0
OpenAccess true
Contact P.J.M. Luytelaar, van (Synthegra)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; application/pdf
Size 9379; 9110; 941; 3453; 12790595
Version 1.0
Discipline Humanities