De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Roerdalen (Bijlage 4) in de zone Waarde-Archeologie 4 (AMK-terrein, hoge archeologische waarde) en een zone Waarde-Archeologie 5 (hoge archeologische verwachting voor droge landschappen).
Tijdens het proefsleuvenonderzoek (IVO-P) werd in het noordwesten van het plangebied een Bw-horizont aangetroffen, met daar onder een BC-horizont en een C-horizont. In het noordoosten van het plangebied is de Bw-horizont niet meer aanwezig en is enkel een restant van de BC-horizont aangetroffen. Vermoedelijk is de rest van het oorspronkelijk aanwezige bodemprofiel oudtijds verdwenen, aangezien er geen tekenen zijn van diepgaande recente verstoringen. In het zuiden van het plangebied is de bodem dusdanig verstoord dat er geen spoor van bodemvorming meer waargenomen is. Hier is sprake van een zogenaamd AC-profiel, waarbij de bodem tot in de C-horizont verstoord is door recente bodemingrepen, getuige de vele recente verstoringen die hier in het vlak waargenomen zijn.
In proefsleuf 2 zijn met name recente sporen en een paalkuil, die op basis van de kleur van de vulling, vermoedelijk uit de late middeleeuwen of de nieuwe tijd dateert. Oudere sporen zijn hier mogelijk verdwenen bij het ontginnen van het land, dat waarschijnlijk ook hier vanaf de late middeleeuwen aanving. Het in deze proefsleuven aantal aangetroffen prehistorisch aardewerk (N = 10) lijkt er op te wijzen dat in de nabijheid mogelijk een nederzetting/huisplaats bevindt.
In proefsleuf 1, waar een grotendeels intact bodemprofiel aanwezig is, werden sporen zichtbaar, die geïnterpreteerd zijn als paalkuilen. Op basis van hun positie, in een rechte lijn en een gelijke onderlinge afstand, kunnen dit paalkuilen zijn die bij een gebouw/boerderij hebben gehoord.
Gezien de hoeveelheid vermoedelijk late bronstijd aardewerk dat tijdens het proefsleuvenonderzoek in de natuurlijke afzettingen aangetroffen is, kan dit een aanwijzing zijn voor een datering van deze vermoede structuur en zou er mogelijk een huisplaats of nederzetting uit de late bronstijd aanwezig kunnen zijn in de ondergrond van het noordelijke deel van het plangebied en daarmee dus een vindplaats.
Voor het noordelijke deel van het plangebied wordt om bovenstaande redenen een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. In het zuiden van het plangebied zijn geen sporen waargenomen en is de bodem grootschalig verstoord door recente ingrepen. Hier is dan ook geen sprake van een vindplaats en wordt dus ook geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.
De bevoegde overheid heeft dit besluit overgenomen en gesteld dat deze opgraving gefaseerd aangepakt dient te worden, omdat vooralsnog onduidelijk is, wat de omvang van de vindplaats is.