In opdracht van Stichting Kaprion heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau op 19 en 22 januari 2007 een archeologische begeleiding uitgevoerd aan de Buurtweg 20 te Akersloot in verband met de voorgenomen nieuwbouw van een school. Het betreft het vervolg op een inventariserend onderzoek dat bestond uit een karterend booronderzoek (De Groot, 2007). Op grond van de resultaten daarvan werd ge- concludeerd dat in de ondergrond van het plangebied een humeuze laag aanwezig is in het zand. De aard van deze laag was niet geheel duidelijk: mogelijk gaat het om een complex van akkerlagen of het is een natuurlijk fenomeen. Op grond hiervan werd aanbevolen om de aard en eventueel de datering van deze laag tussen de Oude Duin- en Oude Strandzanden vast te stellen door middel van een archeologische begeleiding (protocol Opgraven). Dit onderzoek had tot doel de aard, omvang, datering (en eventueel de mate van verstoring) van de bruingrijze laag vast te stellen. Het dieper gelegen humeuze niveau, op basis waarvan de archeologische begeleiding is aanbevolen, bevindt zich op circa 16 m -Mv (circa 11 m -NAP). Aangezien dit niveau zich bevindt op de overgang van het kalkrijke strandzand naar het duin- zand (de eerste aanzet tot duinvorming), is de kans klein dat dit niveau geschikt is geweest voor bewoning. In de ‘kijkgaten’ in sleuf 1 zijn op dit niveau dan ook geen grondsporen waargenomen. Er zijn geen aanwijzingen dat het een akker- of cultuurlaag betreft. De laag wordt geïnterpreteerd als een natuurlijk fenomeen. Voor deze dieper gelegen humeuze horizont is in het plangebied sprake van een lage archeologische verwachting. Wanneer de top van het zandpakket onder de humeuze laag ontkalkt is, is sprake van een middelmatige tot hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Neolithicum. Tijdens de archeologische begeleiding zijn in het lichtgeelgrijze oude duinzand, onder de oude bouwvoor en een opgebracht pakket, 2 grondsporen aangetroffen (op circa 05 m -NAP). De aangetroffen sporen bevinden zich in een zeer beperkte zone van circa 5 bij 3 m in het uiterst noordoostelijke deel van het plangebied. Het betreft diepere resten van een waterput en een kuil. De sporen dateren uit de periode Vroege-Midden IJzertijd. Vanwege het geringe aantal scherven en het ontbreken van randfragmenten is een scherpere datering niet mogelijk. In de Nieuwe tijd heeft in het plangebied grondbewerking plaatsgevonden (broei- bedden), waardoor een deel van de sporen is opgenomen in de bouwvoor. De aard van de sporen duidt op de aanwezigheid van een nederzettingsterrein ter plaatse of in de directe nabijheid. Het is mogelijk dat de bij een nederzetting behorende cultuurlaag en overige (ondiepe) grondsporen geheel zijn opgenomen in de bouwvoor, waardoor ze in het plangebied niet zijn aangetroffen. In dat geval wordt echter een grotere hoeveelheid vondstmateriaal uit deze periode in de bouwvoor verwacht. Meer aannemelijk is dat de bijbehorende nederzetting zich bevindt in de nabijheid van maar buiten het plangebied. In hoeverre deze nederzetting nog intact is, is niet te voorspellen. Dit betekent dat de nederzetting aanwezig kan zijn in de zone ten zuiden van het plangebied, waar eveneens plannen zijn voor nieuwbouw. Daarvoor zal ter plaatse moeten worden gekeken naar de mate van verstoring van de bodem. Indien het duinzand is verstoord tot dieper dan 05-10 m -NAP, zijn vermoedelijk geen (restanten van) grondsporen meer aanwezig.