In opdracht van de Gemeente Almere heeft de combinatie EARTH-ABO Group in de periode januari 2024 – maart 2025 een geïntegreerd geo-archeologisch, geotechnisch, geohydrologisch en geofysisch bodemonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de stedenbouwkundige ontwikkeling van het plangebied Pampus te Almere. Onderhavig rapport betreft de rapportage van het onderdeel geoarcheologie Het doel van het onderzoek in deze fase van de ontwikkeling van Almere Pampus is het met mechanisch boor- en sondeeronderzoek verzamelen van hoogkwalitatieve data van de ondergrond van Almere Pampus en het in kaart brengen van relevante informatie over de bodemgesteldheid vanuit geo-archeologie, geotechniek en geohydrologie. Deze informatie dient als input voor de “ruimtelijk strategische verkenning Masterplan Almere Pampus”.De hoofddoelstelling van het geo-archeologisch onderzoek is daarbij toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals deze in Programma van Eisen is geformuleerd. Meer specifiek is het doel van onderhavig onderzoek het toetsen en aanvullen van het (paleo-)landschappelijk model.Resultaten en Advies.Het geo-archeologische onderzoek heeft nieuwe inzichten gegeven in de bodemopbouw en mogelijke archeologische waarden. Binnen het plangebied is sprake van een gelaagd landschap waarin van onder tot boven grofweg vier bodemlagen te onderscheiden zijn. De ondergrond bestaat aan de basis (10-30 m – mv) uit een dik zandpakket, waarschijnlijk gevormd door stuwing door landijs of smeltwater tijdens het Saalien (voorlaatste ijstijd; 380.000-130.000 v. Chr.). Hoewel dergelijke afzettingen elders in Nederland sporen van bewoning bevatten, zijn deze binnen het plangebied niet vastgesteld. Sedimenten uit het Eemien ontbreken.De tweede bodemlaag is in de laatste ijstijd in een zeer koud klimaat gevormd door wind en smeltwater. De bovenzijde van dit pakket markeert de overgang naar het huidige tijdperk het Holoceen, waarin het gebied door de mens bewoond raakt. De intactheid van dit Pleistocene dekzand varieert sterk. Waar dit intact is, worden archeologische sporen verwacht van jagersverzamelaars uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum (tussen 12.000 - 4.000 v. Chr.).Vanaf het Holoceen (vanaf 11.700 jaar geleden) verdronk het gebied langzaam door de zeespiegelstijging en werden onder invloed van rivieren en zee pakketten klei en veen gevormd (de Wormer- en Flevomeerlagen). Deze natte landschappen waren niet geschikt voor permanente bewoning, maar wel voor gebruik en exploitatie, zoals visvangst. Daarnaast zijn uit het geofysisch onderzoek geulvormige structuren zichtbaar geworden, waarvan de oevers mogelijk wel geschikt zijn geweest voor bewoning. Tenslotte vormen jongere Holocene lagen (Zuiderzee bodem) een potentieel risico op het aantreffen van scheeps- en vliegtuigwrakken.Voor archeologie is na uitvoering van de geo-archeologische boringen op hoofdlijnen duidelijk geworden waar zich zones met een archeologische verwachting bevinden (zie Afb. 35).Dat betreft de intacte top van het dekzand waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt.Daarnaast geldt een hoge tot middelhoge verwachting voor geul- en oeverzones van het Laagpakket van Wormer en tenslotte is er sprake van een lage tot middelhoge archeologische verwachting voor vondsten in de Flevomeer, Almere en Zuiderzeelagen.Deze zones kunnen potentieel een risico vormen bij de ontwikkeling van Pampus. Hierbij dient echter opgemerkt te worden dat de huidige dataset nog niet volledig is. Ten eerste voldoen het uitgevoerde boorgrid nog niet aan de minimum eis voor verkennend archeologisch booronderzoek van de Gemeente Almere en ten tweede dient een veldtoets plaats te vinden met betrekking tot de resultaten van het magnetometeronderzoek. : Voor de verschillende archeologische verwachtingswaarden geldt dat het archeologisch risico hiervan voor de verdere ontwikkeling van Pampus met nadere veldonderzoeken gedefinieerd dient te worden.Om het risico op archeologische vindplaatsen in de top van het dekzand nader af te bakenen, wordt geadviseerd om karterend booronderzoek uit te voeren in uitsluitend de zones die als intact zijn geclassificeerd. Doel hiervan is om vindplaatsen op te sporen en deze zoveel mogelijk ruimtelijk te begrenzen, zodat duidelijk wordt of vindplaatsen zijn in te passen in stedenbouwkundige plannen.Voor het risico op archeologische vindplaatsen in de Holocene afzettingen van met name het Laagpakket van Wormer wordt geadviseerd om een nader inzicht te verkrijgen in de genese van deze afzettingen en om daarmee de bewonings- en gebruiksmogelijkheden voor de mens van bijbehorende landschappen nader te bepalen. Dit geldt zowel voor de vermoedelijk grote geulen welke zich in het gebied lijken te bevinden, alsmede voor de op de dronebeelden zichtbare geul structuren. Het in deze fase gehanteerde boorgrid heeft hier nog te weinig informatie over opgeleverd, de op de dronebeelden zichtbare structuren zijn niet terug gevonden in de boringen vanwege de te grote tussenafstand tussen de boringen en er heeft geen toetsing plaatsgevonden van de structuren die op de dronebeelden te zien zijn. Het advies is dan ook om op minimaal 2 locaties door middel van gedetailleerde boorraaien en/of proefsleuven te controleren wat er deze magnetische anomalieën daadwerkelijk betekenen en of er sprake is van een archeologisch relevant fenomeen. In aanvulling hierop dient eveneens voor een grotere geul een gedetailleerde boorraai te worden uitgevoerd. Voor zowel de grotere als kleine geulen dienen boorkernen te worden bemonsterd voor multi-proxy onderzoek naar de afzettingsmilieus van betreffende sedimenten.Hiermee wordt inzicht gekregen in de genese van het landschap en in de mogelijkheden die het landschap bood voor de mens.In het plangebied zijn archeologische vondsten/vindplaatsen bekend. Deze archeologische vondsten kunnen worden aangetast door een bemaling, wanneer de freatische grondwater lager komt dan bijvoorbeeld de bovenkant van het gezonken schip. Er bestaat dan een groot risico dat het aanwezige hout en andere aanwezige natuurlijke materialen gaan rotten. Om de effecten op deze archeologische vondsten te mitigeren, wordt geadviseerd de freatische grondwaterstand ter plaatse van archeologische vondsten niet te verlagen beneden de gemiddeld laagste grondwaterstand.Indien bij archeologisch vervolgonderzoek nieuwe vindplaatsen worden aangetroffen, dan geldt hetzelfde advies.Het bovenstaande vormt een archeologisch selectieadvies en dit advies maakt deel uit van het grotere bodembrede onderzoek voor het Mastplan Almere Pampus. De rapportage en het advies zijn op 28 maart 2025 goedgekeurd door de Ambtelijke Werkgroep van de gemeente Almere, het bevoegd gezag (inclusief de technisch adviseur archeologie, W. Smith). Op basis van dit onderzoek zal de bevoegde overheid een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met het risico archeologie bij de verdere inrichting en ontwikkeling van Almere Pampus.De ontwikkelaar blijft te allen tijde verplicht om, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet, alle tijdens de werkzaamheden aangetroffen archeologische toevalsvondsten onverwijld te melden bij het bevoegd gezag.