Gespecificeerde archeologische verwachting
Vanuit het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische waarden in principe daterend vanaf de Midden-Bronstijd. Verzamelde landschappelijke gegevens geven aan dat het plangebied binnen de Zandvoort/Baal stroomgordel ligt, waarvan zijn actieve fase dateert van circa 1190 tot 250 voor Chr. (Midden-Bronstijd tot Midden-IJzertijd). Met het ontstaan van de Zandvoort/Baal stroomgordel, en daarmee de vorming van hoger gelegen kronkel-waardruggen, oeverwallen en crevassen, kreeg het plangebied wel een gunstige ligging voor bewoning. Ook na de actieve fase van de Zandvoort/Baal stroomgordel bleven de hooggelegen kronkelwaardruggen, oeverwallen en crevassen, ten opzichte van hun omgeving, beter geschikt als bewoningslocatie. De ligging op een oeverwal dan wel een kronkelwaardrug gaf de beschikking van voldoende areaal bouwland (akkergronden) en het houden van vee, en daarmee de ontwikkeling van een nederzetting((s)complex). Deze verwachting wordt ondersteund door de bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied. Er zijn tijdens de bodemkartering van 1946 en door amateurarcheologen op diverse locaties (waaronder binnen later aangewezen AMK-terreinen met oude woongronden) vondsten gedaan van voornamelijk aardewerkfragmenten en metaalvond-sten (middels metaaldetectie), daterend vanaf de IJzertijd. Ook nabij het plangebied (zelfs binnen een afstand van 100 meter) zijn diverse vondsten aangetroffen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat het plangebied vanaf in ieder geval de tweede helft van de 18e eeuw voor agrarische doeleinden werd gebruikt. Het huidige woonerf aan de Flierensestraat 42 is pas aan het begin van de tweede helft van de 20e eeuw ontstaan. De kans op het aantreffen van restanten van historische bouwwerken/bebouwing uit de Nieuwe tijd (bijvoorbeeld in de vorm van muurresten/funderingen) wordt daarom minder waarschijnlijk geacht.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) bevestigd de te verwachte paleogeografische ontwikkeling en daarmee de te verwachte bodemopbouw. Het plangebied ligt binnen een stroomrug/stroomgordel, waar zich in de top een kalkhoudende ooivaagrond heeft ontwikkeld. De oorspronkelijke top van de kalkhoudende ooivaaggrond is intensief bewerkt en heeft er enige ophoging met grond plaatsgevonden, waardoor een zogenaamde oude woongrond is ontstaan. Deze oude woongrond tot een diepte van circa 70 cm -mv, bestaat uit bruingrijs, donkerbruin tot donkergrijsbruin gekleurde, zwak humeuze, sterk zandige klei, waarin tijdens het zetten van de boringen plaatselijk al spikkels houtskool zichtbaar waren. Onder de oude woongrond bevinden zich oever-/kronkelwaardafzettingen op beddingafzettingen met een karakteristieke fining upward sequentie en zullen zijn gesedimenteerd tijdens de actieve fase van de Zandvoort/Baal stroomgordel. De zuidoostelijke hoek van het plangebied ligt waarschijnlijk binnen de flank van de kronkelwaardgeul, waar de kronkelwaardgeulafzettingen/-opvullingen bestaan uit een pakket matig zandige klei tot maximaal 170 cm -mv.
In de oude woongrond is divers vondstmateriaal aangetroffen. De fragmenten aardewerk dateren uit de periode 9e tot 12e eeuw (Volle-Middeleeuwen). Andere aangetroffen vondstmateriaal, wat op zichzelf niet te dateren is, betreffen fragmenten dierlijk bot, fragmenten metaalslak, een fragment houtskool en een fragment daklei. Vondstmateriaal uit deze periode is tevens aangetroffen binnen het nabijgelegen AMK-terrein 3891, welke circa 100 meter ten noordwesten van het plangebied en beschreven is als een terrein waar een oude woongrond voorkomt. Wellicht dat de begrenzing van dit AMK-terrein meer in zuidelijke richting moet worden geplaatst.
Conclusie
Op basis van de geleverde onderzoeksinspanning en de daarbij aangetroffen archeologische indicatoren, wordt geconcludeerd dat er binnen het plangebied mogelijk sprake is van een archeologische vindplaats. Wat het type vondstcomplex is, is op basis van alleen de resultaten van het booronderzoek moeilijk in te schatten. Het kan gaan om menselijke bewoningsactiviteiten binnen een agrarische context uit de perioden 9e tot 12e eeuw (denk aan een huisplaats van een boerenerf met houtbouw). Bij bewoningsrestanten zullen de archeologische sporen vooral bestaan uit paalkuilen, (afval)kuilen, greppels en sporen van agrarische bewerking (ploegsporen, afdrukken van vee). Bij een ongewijzigde voorgenomen ingreep (sloop van bestaande woning en navolgend de nieuwbouw van een woning, waarbij graafwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd tot een diepte van minimaal 45 tot 80 cm -mv) zal binnen het plangebied de mogelijk aanwezige archeologische vindplaats verstoord worden.
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. De vrij intacte bodemopbouw (geen diepgaande moderne bodemverstoringen), de aangetroffen oude woongrond en het hierin aangetroffen vondstmateriaal, kan duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats uit de periode 9e tot 12 eeuw (Volle-Middeleeuwen). Behoud van een mogelijk aanwezige archeologische vindplaats zal niet mogelijk zijn bij een niet aangepaste uitvoering zoals voorgesteld in het inrichtingsplan (zie bijlage 4). Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) gericht op de nieuwbouwlocatie. Wanneer er behoudenswaardige archeologie wordt aangetroffen, kan, in het kader van efficiëntie/planningsoverwegingen, gekozen een doorstart te maken naar een definitieve opgraving (DO) van maximaal de oppervlakte van de geplande nieuwbouwwoning (aan te leggen bouwput voor de nieuwbouw, met een oppervlakte van circa 212 m²).
Voor het proefsleuvenonderzoek met mogelijke doorstart naar een definitieve opgraving dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE dient te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Lingewaard).
Archeologievriendelijk bouwen van de nieuwbouwwoning is alleen mogelijk middels een ondiepe fundering al dan niet in combinatie met ophoging van het bestaande maaiveld, zodat hiervoor de bodem niet dieper dan 15 cm onder het huidige maaiveld geroerd wordt. Indien funderingspalen benodigd zijn dienen de rijen palen minimaal 4 meter uit elkaar te staan zodat archeologisch onderzoek in de verre toekomst mogelijk blijft.