In november‐december 2024, en met een update in 2025, is in opdracht van Waterschap Vallei en Veluwe door Antea Group een archeologisch bureauonderzoek met verkennend booronderzoek uitgevoerd voor een plangebied langs de Nijbroekse Wetering (tussen de Benedenste Kruisweg in het noorden en ter hoogte van de Kampweg 11 in het zuiden). Aanleiding hiervoor is de herinrichting van deze waterloop. Hier zal over een lengte van circa 750 meter verschillende werkzaamheden langs de beek worden uitgevoerd. Zo wordt er over de gehele lengte een natuurvriendelijke oever aangelegd, en worden op diverse locaties duikers aangelegd en verwijderd. Daarnaast worden er nieuwe sloten gegraven en rabatten aangelegd. De geplande werkzaamheden waarbij er grond wordt ontgraven, zal gebeuren tot maximaal 1 meter beneden maaiveld. Het aanleggen van de natuurvriendelijke over is circa 750 meter lang en 7 meter breed, en heeft daarmee een oppervlak van circa 5.520 m2. De andere werkzaamheden (aanleg sloten etc.) hebben een totaal oppervlak van 13.500 m2. Hierbij dient wel te worden vermeld dat deze oppervlakten niet in hun geheel worden (volledig) ontgraven, maar de geplande werkzaamheden zullen wel voor bodemverstoring zorgen. Hierdoor is het mogelijk dat eventuele aanwezige archeologische resten in de ondergrond zullen worden beschadigd of vernietigd. Het plangebied is op basis van de omvang en de aard van de voorgenomen bodemingrepen onderzoeksplichtig conform het beleid van de gemeente Voorst (zie verder paragraaf 2.3). Om deze reden, en om de archeologische verwachting beter te kunnen specificeren van het plangebied, wordt dit bureauonderzoek met verkennend booronderzoek uitgevoerd. Resultaten archeologisch bureauonderzoek Binnen het plangebied geldt dat direct onder de bouwvoor archeologische resten uit de (late) middeleeuwen verwacht kunnen worden. Deze zullen bestaan uit resten van agrarische activiteiten of losse vondsten. Verder is het mogelijk om resten van de voormalige loop van de Nijbroekse Wetering aan te treffen. Resten uit eerdere perioden zullen voornamelijk betrekking hebben tot het aanwezige (oude) beekdal. Dit zullen tevens losse vondsten zijn (puntlocaties). De ontginningen in het verleden en het agrarisch karakter hebben mogelijk al voor bodemverstoring gezorgd. Het is echter niet bekend in welke mate de bodemopbouw in het plangebied verstoord is en of eventuele archeologische resten nog intact aanwezig zijn. Conform de gemeentelijke richtlijn, de handreiking van de gemeente, ligt het plangebied in zones waar een waardestellend archeologisch vooronderzoek uitgevoerd dient te worden.1 Resultaten archeologisch booronderzoek Bij dit verkennend booronderzoek zijn er 6 boringen per hectare of 1 boring om de 40 meter gezet, wat neerkomt op een totaal van 29 boringen.2 Het plangebied is hedendaags in gebruik als weiland, grasland of (enkel het meest zuidelijke perceel) akkerland. Hierdoor bestaat de bouwvoor uit een met humus verrijkte, zwak zandige klei. Hieronder bevindt zich een stevig, roesthoudend kleipakket tot (gemiddeld) een diepte van 1,5 m boven NAP. Dit zijn de polder‐vaaggronden, ontstaan in de rivierafzettingen van de IJssel. Dit bevestigd dat het plangebied lange tijd zich in een nat milieu bevond. Het onder het rivierkleipakket mogelijk verwachtte veen is enkel in één boring aangetroffen. De afwezigheid van het veen in het plangebied is – zoals reeds in het bureauonderzoek verwacht werd ‐ vermoedelijk te verklaren doordat het geërodeerd zal zijn met de ontwikkeling van de IJssel. Er zijn mogelijk resten aangetroffen die betrekking hebben op de voormalige loop van de Nijbroekse Wetering (late middeleeuwen‐nieuwe tijd). Enkele boringen in het noordelijke deel van het plangebied lieten een bodemopbouw zien dat overeenkomt met een crevasse: dit betrof voornamelijk grind in het kleipakket. De locatie van deze boringen (met uitzondering van één boring) komt echter waarschijnlijk overeen met de oude loop van de Nijbroekse Wetering. De Nijbroekse Wetering volgt daarmee vermoedelijk dus ook deels een oude crevasse. In meerdere boringen zijn er onderin (op een diepte van circa 1 meter beneden maaiveld) fluvioperiglaciale afzettingen uit een sneeuwsmeltwaterdal aangetroffen. Dergelijke afzettingen zijn waarschijnlijk vanaf de flank van de stuwwal in het westen door meerdere dalen/lagere delen van het landschap naar het oosten vervoerd. Vermoedelijk zijn dit dus afzettingen binnen het eerder genoemde beekdal. Advies Antea Group Uit zowel het bureau‐ als het veldonderzoek is een algemene lage archeologische verwachting gebleken. Dit heeft met name te maken met het feit dat een groot deel van het plangebied zich op een riviervlakte van de IJssel bevindt en bovendien in een oud beekdal ligt. Het plangebied kent daarmee een relatief nat milieu en bewoning was eigenlijk pas mogelijk toen men vanaf de late middeleeuwen het gebied heeft ingepolderd en ontgonnen. Echter, met de ligging in een oud beekdal heeft het plangebied wel een hoge archeologische verwachting voor het aantreffen van beekdalactiviteiten (met name losse vondsten) uit de steentijd. Ook is er binnen het plangebied aanwijzingen voor de voormalige loop van de Nijbroekse Wetering aangetroffen. Er bestaat echter nog wel de kans dat met de geplande werkzaamheden geen archeologische resten worden aangetroffen. Een groot deel van de geplande natuurvriendelijke oever ligt binnen dit beekdal en de vermoedelijke eerdere/vroegere loop van de Nijbroekse Wetering. Zoals reeds vermeld, is het niet geheel uit te sluiten dat er geen archeologische resten aanwezig zijn. Om deze redenen adviseert Antea Group om de aanleg van de natuurvriendelijke oever uit te laten voeren onder extensieve archeologische begeleiding (valt conform onder KNA‐protocol 4003, versie 4.2). Details over de methodiek van dit type archeologische begeleiding wordt kort toegelicht in hoofdstuk 5, en nader toegelicht in een Programma van Eisen/Plan van Aanpak (conform KNA protocol 4003). Dit is een advies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in dezen de gemeente Voorst.