In opdracht van Van den Berg RO heeft Transect b.v. in september 2025 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Tempeldijk naast nr. 64 in Reeuwijk (gemeente Bodegraven-Reeuwijk). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning om nieuwe woningen in het plangebied te realiseren. Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Op basis van archeologisch bureauonderzoek geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Dit gebied, oorspronkelijk gelegen in een kom en later bedekt met veen, is in de Late Middeleeuwen ontgonnen, waardoor een herkenbaar verkavelingspatroon ontstond. De Tempeldijk fungeerde vermoedelijk als achterkade, waarlangs bewoning vaak voorkwam. Historische kaarten tonen bebouwing langs de Tempeldijk vanaf het begin van de 19e eeuw. Dit wijst erop dat bewoning in het plangebied vanaf de Late Middeleeuwen niet uitgesloten is, waardoor de archeologische verwachting voor deze periode hoog wordt ingeschat. Wel zijn delen van het gebied buiten de kades verveend, waarbij veen is afgegraven, verkocht en gedroogd is als turf. Dit kan tot een aantasting van het bodemarchief hebben geleid. Voor sporen uit het Neolithicum en de Vroege Middeleeuwen is de verwachting daarentegen laag. Door natte omstandigheden en de aanwezigheid van veen was het gebied in deze vroege periodes niet geschikt voor bewoning. Dat verklaart de lage archeologische verwachting voor deze tijdvakken. Dieper in de ondergrond zouden theoretisch resten uit het Laat Paleolithicum of Mesolithicum aanwezig kunnen zijn, vooral in de bovenste laag van het pleistocene zand vanaf 5,3 meter onder maaiveld (10,5 meter -NAP), maar deze niveaus worden gelet op de diepte hier buiten beschouwing gelaten. Tijdens het veldonderzoek is duidelijk geworden dat het plangebied bestaat uit zeer slappe wadafzettingen, behorend tot het Laagpakket van Wormer, op een diepte van 180 tot 270 cm –Mv (7,04 tot 7,55 m –NAP). Afzettingen van de Waddinxveen stroomrug zijn niet binnen het boorbereik van 3,0 tot 4,0 m –Mv (8,34 tot 8,61 m –NAP) aangetroffen en bevinden zich vermoedelijk onder het Wormer-laagpakket. De kleilaag is vermoedelijk een komafzetting, al is het onbekend van welk riviersysteem deze afkomstig is. Boven deze kleilaag is opnieuw veen gevormd. Alle aangetroffen lagen zijn ontstaan onder natte omstandigheden en worden als ongeschikt beschouwd voor bewoning. In de bovenste bodemlaag zijn geen sporen gevonden van oudere bebouwing. Het aanwezige bouwpuin is waarschijnlijk van recente datum en de bovenzijde van het veen is veraard als gevolg van de gereguleerde grondwaterstand. Verder is bij de schuur het veen verstoord door de aanleg van een mestkelder, waardoor eventuele archeologische resten daar zijn vergraven. Alles bij elkaar genomen wordt de archeologische verwachting voor de Late Middeleeuwen tot Nieuwe Tijd bijgesteld naar laag.