Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (23621.002) Sportpark Blauwenburcht te Huissen

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Vanuit het bureauonderzoek geldt een onbekende verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Laat-Neolithicum, een lage verwachting voor de perioden Bronstijd t/m Vroege-IJzertijd en de Nieuwe tijd en een lage tot middelhoge verwachting voor de perioden Midden IJzertijd t/m Middeleeuwen. Het plangebied heeft namelijk gedurende een groot deel van het Holoceen een ligging gehad binnen een rivierterrasvlakte (Terras X), overgaand naar een ligging binnen een rivierkomvlakte (verschuiven van de terrassenkruising, welke circa 4500 jaar geleden ter hoogte van Arnhem-Nijmegen lag, en daarmee ook ter hoogte van het nabij Arnhem gelegen Huissen). Vanaf circa 614 voor Chr. (Vroege-IJzertijd) waren de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk en de opvolgende Nederrijn actief, waarvan de zuidelijke begrenzing zich circa 700 meter ten noorden van het plangebied bevind. Wellicht dat gedurende de actieve fase van de Meinerswijk en Nederrijn stroomgordel sedimentatie van meer oeverwalachtige afzettingen heeft plaatsgevonden. Vanuit het hoogtebeeld lijkt het plangebied net een ligging in te nemen op de lagergelegen, uiterste flank van een oeverwal. Daarmee waren condities voor het ontplooien van bewoningsactiviteiten wellicht (net) voldoende gunstig. Meest aantrekkelijk voor het ontplooien van bewoningsactiviteiten waren natuurlijk wel de hoger gelegen oeverwalzones ten noorden/noordoosten van het plangebied, wat ook wordt bevestigd door de aanwezigheid van een groot AMK-terrein en waar gravende onderzoeken hebben geresulteerd in het aantreffen van meerdere inheems-Romeinse nederzettingsterreinen en een grafveld. Prospectieve onderzoeken die zijn uitgevoerd ten zuidoosten, zuiden, zuidwesten en westen van het plangebied, hebben tot op heden geen aanwijzingen opgeleverd die duiden op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat het plangebied langdurig enkel een agrarisch gebruik heeft gekend (geen aanwijzingen dat er binnen het plangebied een historische erf heeft gestaan/historische erven hebben gestaan).

Resultaten inventariserend veldonderzoek De aangetroffen bodemopbouw tijdens het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laat een paleogeografische ontwikkeling zien welke goed overeen komt met de verwachte ontwikkeling zoals die beschreven is in het bureauonderzoek. Op grotere diepte (circa 300 cm -mv) bevindt zich een meerdere decimeters dikke, zogenaamde Laag van Wijchen met hieronder vlechtende rivierterrasafzettingen behorend tot waarschijnlijk het Jonge Dryas-terras (Terras X). Ten opzichte van NAP bevindt de top van de Laag van Wijchen bevindt zich op een diepte variërend tussen circa 7 en 6,5 m en volgt waarschijnlijk het paleoreliëf van het Jonge Dryas-terrasniveau (een achtergelaten vlechtend riviersysteem met banken en ondiepe brede geulen).

Boven de Laag van Wijchen bevindt zich een tot bijna 2 meter dik pakket van duidelijk zwaar getextureerde, over het algemeen kalkloze komklei. Binnen het pakket komklei zijn op een vrij gelijk/vrij horizontaal niveau, tussen circa 8,4 en 8,2 m +NAP en 7,0 en 6,8 m +NAP, een tweetal laklagen/vegetatiehorizonten onderscheiden. Het geeft aan dat er een tweetal periodes zijn geweest van non-depositie/zeer beperkte depositie. Het betreft in principe een niveau dat voor langere tijd beïnvloed kan zijn geweest door de mens. Omdat de laklagen/vegetatiehorizonten gevormd zijn in getextureerde komafzettingen, gaat het niet om een periode dat het plangebied een aantrekkelijke bewoningslocatie betrof. De twee laklagen/vegetatiehorizonten hebben verder ook geen archeologische indicatoren opgeleverd.

Boven de komafzettingen resteert nog een enkele decimeters dikke laag van kalkarme/kalkrijke, sterk tot uiterst siltige klei. Het gaat om een resterend intact deel van een pakket oever- tot komafzettingen die zeer waarschijnlijk gesedimenteerd zijn tijdens de actieve fase van de Meinerswijk stroomgordel en de daaropvolgende Nederrijn stroomgordel. Het overgrote deel van de gezette boringen laten zien dat het merendeel van het oorspronkelijke oever- tot komafzettingen is verstoord/vergraven, waarschijnlijk ten gevolgde van de inrichting van het plangebied als sportpark (welke in het zuidoostelijke deel van het plangebied ook gepaard zijn gegaan met bouwwerkzaamheden (denk aan het sportcomplex en tribune langs het hoofdveld)). Verstoringen reiken in het noordwestelijke en centrale deel van het plangebied (voetbalvelden) tot gemiddeld tot 75 cm -mv, in het zuidoostelijke deel van het plangebied tot gemiddeld 95 cm -mv. Enkele boringen laten diepere verstoringen zien en zijn de oever- tot komafzettingen niet aangetroffen/zijn al volledig vergraven. Voor slechts vier boringen gezet langs de randen van het sportpark kan gezegd worden dat er alleen sprake is van verstoring/bewerking van de bovenste 30/40 cm (verstoorde/bewerkte bouwvoor). Van een terreindeel van enige omvang waar sprake is van een beperkte verstoorde bodemopbouw is echter géén sprake.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat de bodemopbouw de ongunstige ligging van het plangebied als bewoningslocatie bevestigt gedurende een groot deel van het Holoceen (tot in ieder geval de Vroege-IJzertijd). Binnen de lagergelegen terrasvlakte, overgaand in een komvlakte, zal sprake zijn geweest van (zeer) natte/drassige bodemcondities en kwam het plangebied tijdens perioden van hoogwater voor langere tijd onder water te staan. Vanaf het ontstaan van de ten noorden gelegen Meinerswijk en de daaropvolgende Nederrijn stroomgordel, kreeg het plangebied geleidelijk aan een ligging binnen de uiterste flank van de oeverwalzone (ook relatief laaggelegen). Het merendeel van het pakket oever- tot komafzettingen is reeds verstoord door moderne bodemingrepen. Hierdoor dient de lage tot middelhoge verwachting voor de perioden Midden IJzertijd t/m Middeleeuwen al bijgesteld te worden naar een algeheel lage verwachting. Het opgeboorde en vervolgens versneden en verbrokkelde bodemmateriaal heeft verder geen archeologische indicatoren opgeleverd. Hierdoor is er geen aanleiding om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied te vermoeden.   Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Binnen het plangebied hebben reeds moderne bodemverstoringen plaatsgevonden (zeer waarschijnlijk te relateren aan de inrichting als sportpark). Vanuit archeologisch perspectief is het nog meest relevante pakket oever- tot komafzettingen, waarschijnlijk gesedimenteerd zijn tijdens de actieve fase van de Meinerswijk stroomgordel en de daaropvolgende Nederrijn stroomgordel, merendeels verstoord. Verder zijn lagen met archeologische indicatoren (denk aan fosfaatvlekken, houtskoolspikkels) niet waargenomen, zowel niet in het nog resterende intacte deel van het pakket oever- tot komafzettingen als in de onderliggende komafzettingen, Laag van Wijchen en top van de vlechtende rivierterrasafzettingen. Voor het plangebied geldt een algeheel lage verwachting op het voorkomen van archeologische waarden. De onbekende verwachting voor de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Laat-Neolithicum blijft wel gehandhaafd.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Lingewaard, en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door de heer S. Diependaal, regio-archeoloog Stedendriehoek, d.d. 15 februari 2024). Met bovenstaand advies wordt ingestemd, maar dient op het volgende punt te worden aangescherpt:

• De locatie kan tot 30 cm boven de laag van Wijchen, vanaf gemiddeld 270 cm beneden het maaiveld (vanaf gemiddeld 7 m +NAP, buffer van 30 cm) worden vrij gegeven voor de toekomstige ontwikkeling.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/ANKJN9
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/ANKJN9
Provenance
Creator Broeke, ten, E.M.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy; Broeke, E.M. ten
Publication Year 2024
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 17159576
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem