Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (21164.002) Lombardstraat (ong.) te Arnhem

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting voor de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Middeleeuwen. Het plangebied ligt namelijk op het uiteinde van een van noordnoordwest-zuidzuidoost georiënteerde uitloper van een daluitspoelingswaaier, met relatief nabij het plangebied het beekdal van de voorloper van de Molenbeek die waarschijnlijk in deze perioden altijd actief watervoerend was. Daarmee had het plangebied al voor jagers-verzamelaars (Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) een gunstige ligging als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). De daluitspoelingswaaiers vormde van nature voldoende gedraineerde en vruchtbare gronden die geschikt waren voor gebruik als akkerland. Ook voor landbouwers vormde het plangebied een geschikte locatie voor permanente bewoning. Op de daluitspoelingswaaier in en rondom de stadskern van Arnhem zijn sporen van menselijke activiteit waargenomen vanaf de IJzertijd. Eer zijn echter soms ook oudere resten en sporen aangetroffen die duiden op menselijke (bewonings)activiteiten die teruggaan tot in het Neolithicum. Voor de periode Nieuwe tijd tot het begin van de tweede helft 19e eeuw heeft het plangebied een agrarisch gebruik gekend. Aan het begin van de tweede helft van de 19e eeuw heeft steenbouw plaatsgevonden binnen het plangebied, gekoppeld aan de verstedelijking van het gebied en daarmee de ontwikkeling van het Spijkerkwartier. Mogelijk zijn er nog ondergrondse restanten/delen van deze vermoedelijke arbeiderswoningen aanwezig (muurwerk/funderingsresten) die waarschijnlijk in 1938 is gesloopt/opgeruimd (destijds aangeduid als krotwoningen). Voor sporen/structuren uit de Tweede Wereldoorlog is de verwachting laag, op basis van militaire luchtfoto’s genomen voor en na de Slag om Arnhem.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten zien dat er geen diepgaande verstoringen binnen het plangebied hebben plaatsgevonden. De in de top van de aanwezige sneeuwsmeltwater- /daluitspoelingswaaierafzettingen gevormde holtpodzolbodem/bruine bosgrond is nog merendeels intact aanwezig tussen gemiddeld 60 en 110 cm -mv, bestaande uit een dun intact resterend deel van de verwerings-/verbruinings-Bws-horizont en de overgangs-BC-horizont. Ook is bij twee boringen boven dit resterende deel van de van nature gevormde bodem nog een 25 cm dik, matig humeus pakket zand aanwezig. Dit betreft vermoedelijk een restant van een plaggendek/restant van bewerkte humeuze bovengrond, uit de periode dat het plangebied deel uitmaakte van een stadsweide/moestuin (vanaf in ieder geval de tweede helft van de 16e eeuw). Het archeologisch potentiele sporenniveau, waarbij sporen kunnen worden verwacht uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Middeleeuwen, is in ieder geval nog intact aanwezig. Sporen uit deze perioden, indien aanwezig, kunnen worden aangetroffen vanaf de top van de verwerings-/verbruinings-Bws-horizont en zullen meest duidelijk zichtbaar zijn in de BC-horizont en op de overgang naar de C-horizont, tussen circa 80 en 110 cm -mv.

Boven dit restant van wat meest waarschijnlijk een laarpodzol- of hoge enkeerdgrond is geweest (matig dik of dik plaggendek met hieronder een resterend deel van de van nature gevormde holtpodzolbodem/bruine bosgrond), is een minimaal 20 tot maximaal 80 cm dikke laagopeenvolging aanwezig met hierin een vermenging van spikkels dan wel resten/brokken bouwpuin, zoals handgevormde rode baksteen, kalkzandmortel, stukken dakpan en glas. Verwacht wordt dat het een teruggestorte laag/menglaag met stedelijk bouwafval betreft ontstaan tijdens de bouw en sloop van vermoedelijke arbeiderswoningen die in de tweede helft van de 19e eeuw zijn gebouwd binnen het plangebied. Divers aangetroffen vondstmateriaal dateert ook merendeels uit deze periode. Wellicht dat deze woningen destijds met hergebruikte bouwmaterialen (hergebruikte bakstenen en dakpannen) zijn opgebouwd, vandaar de vele resten fragmenten van handgevormde bakstenen. Hergebruik zal naar verwachting goedkoper zijn geweest dan de aanschaf van nieuwe, machinaal vervaardigde bakstenen. De woningen zijn in 1938 gesloopt, maar de kans blijft aannemelijk dat er nog ondergrondse restanten (muurwerk/funderingsresten) aanwezig zijn. Verder kunnen andere dieper doorlopende structuren bewaard zijn gebleven (denk aan restanten van buur-/waterputten).

Op basis van deze aangetroffen bodemopbouw met rekening worden gehouden met twee archeologische niveaus:

• Een eerste niveau betreft restanten van funderingen/muurresten en eventueel andere structuren/sporen gerelateerd aan steenbouw uit de tweede helft van de 19e eeuw. • Een tweede niveau onder teruggestorte laag/menglaag met stedelijk bouwafval in de top van de natuurlijke ondergrond, met mogelijk sporen van pre-stedelijke bewoning (of direct onder waar nog een restant van een plaggendek/ bewerkte humeuze bovengrond aanwezig is).

Conclusie Geconcludeerd wordt dat, op basis van de waargenomen bodemopbouw, de hoge archeologische verwachting (op basis van het bureauonderzoek) moeten worden gehandhaafd. Eventueel aanwezige resten van puntlocaties van zeer kleine omvang in de vorm van jachtattributen, restanten van een basis-/extractiekamp (jagers-verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (landbouwers), resten van water- en drenkkuilen, afvaldumps en resten die samenhangen met de steenbouwfase uit de tweede helft van de 19e eeuw, kunnen nog grotendeels intact zijn. De ontwikkeling op de locatie leidt tot een verstoring van mogelijk aanwezige archeologische waarden.

Advies Ten aanzien van de geplande ontwikkeling is door de opdrachtgever/initiatiefnemer gekozen voor een funderingsconstructie, waarbij gefundeerd zal worden in de bestaande bouwput van de te slopen bebouwing. De aanlegdiepte bevindt zich dus altijd en per definitie in geroerde grond. Zonder verstoring van potentiële archeologische niveaus, wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het plangebied geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren

Indien (bij toekomstige ontwikkeling) wel bodemverstorende ingrepen gaan plaatsvinden dieper dan de bestaande bouwput van de te slopen bebouwing, wordt op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt de aanbeveling gedaan om binnen het plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Er is namelijk sprake van een merendeels intacte oorspronkelijke bodemopbouw en tevens kunnen nog resten/sporen/structuren gerelateerd aan steenbouw uit de tweede helft van de 19e eeuw worden aangetroffen. Geadviseerd wordt dan om het plangebied in eerste instantie nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P) en nadat sloop van de bovengrondse delen en verwijderen van de betonvloer van de bestaande bebouwing heeft plaatsgevonden. Het proefsleuvenonderzoek zal erop gericht moeten zijn om het booronderzoek te toetsen, op een daaropvolgende opgraving noodzakelijk is en zo ja, hiervoor een duidelijke strategie te bepalen (bijvoorbeeld het aantal vlakniveaus).

De voorkeur voor de strategie van de opgraving, indien noodzakelijk, gaat uit naar grotere aaneengesloten werkputten waarin de aangetroffen resten in samenhang met elkaar kunnen worden beoordeeld en relaties kunnen worden vastgesteld voordat de resten worden veiliggesteld (ex-situ).

Voor het proefsleuvenonderzoek dan wel de eventueel navolgende opgraving, dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE dient te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Arnhem).

Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Arnhem). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/4MRF6I
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/4MRF6I
Provenance
Creator Broeke, E.M. ten
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, E.M. ten; Econsultancy
Publication Year 2024
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, E.M. ten (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 29062803
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem