Algemeen: In opdracht van het Havenbedrijf Rotterdam heeft de afdeling Onderzoek en Rapportage van Archeologie Rotterdam (BOOR) van juli tot en met september 2017 een verkennend inventariserend veldonderzoek (IVO Opwater) uitgevoerd in het plangebied Zwaaikom Amaliahaven, gelegen op Maasvlakte 2 te Rotterdam. Het onderzoek bestond uit het verrichten, beschrijven, analyseren en bemonsteren van veertig mechanische boringen met behulp van een hoog frequente hydraulische vibrocorer (de zogenaamde ‘trilflip’). Er is geboord vanaf de waterbodem tot een gemiddelde diepte van 23,29 m - NAP (3,81 m - HB). Voorafgaand aan het veldonderzoek is voor het plangebied een bureauonderzoek uitgevoerd. De onderzoeken zijn verricht omdat in het plangebied mogelijk een zwaaikom (draaicirkel) voor schepen wordt gerealiseerd. Ten behoeve van zandwinning wordt de ondergrond uiteindelijk tot maximaal 45 à 46 m - NAP ontgraven. Nadien kan de locatie gebruikt worden als (tijdelijk) gronddepot. Indien archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen deze door de voorgenomen baggerwerkzaamheden worden aangetast of vernietigd.Resultaten: Uit het bureauonderzoek, waarbij onder meer is gekeken naar de historische situatie, de bodemopbouw ter plaatse en de bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied, komt naar voren dat voor het gehele plangebied een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting geldt voor vindplaatsen uit het Vroeg en/of Midden-Mesolithicum op aanwezige rivierduinafzettingen (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen; BXDE) in de westelijke helft van het plangebied. Daarnaast kunnen vindplaatsen uit deze periodes ook aangetroffen worden in relatie tot andersoortige sedimenten, zoals oever- en geulafzettingen van rivieren en oeverafzettingen van meertjes (Formatie van Kreftenheye, ‘bovenste’ Laag van Wijchen; KRWY). Deze afzettingen worden voornamelijk in de oostelijke helft van het plangebied verwacht. Aangezien de archeologisch relevante niveaus zich in het plangebied tussen circa 25,0 en 20,0 m - NAP bevinden, kunnen eventueel aanwezige archeologische resten vanaf circa 20,0 m - NAP aangeboord worden. Voor vindplaatsen vanaf het Laat Mesolithicum tot en met de Nieuwe tijd geldt geen archeologische verwachting.Uit het verkennend inventariserend veldonderzoek (IVO Opwater) blijkt dat de diepere ondergrond in het plangebied bestaat uit rivierafzettingen van de Rijn en de Maas (Formatie van Kreftenheye; KR). De top van het zand is aangetroffen op een gemiddelde diepte van 22,60 m - NAP. In het noordoostelijke deel, ter plaatse van boringen 24, 31, 37 tot en met 40, is de ondergrond tot in de grofzandige beddingafzettingen geërodeerd als gevolg van de erosieve werking van een jonge geul (Southern Bight Formatie, Bligh Bank Laagpakket; SBBL). Naar boven toe gaan de rivierafzettingen diffuus tot abrupt over in een pakket vroegholocene afzettingen (Formatie van Kreftenheye, ‘onderste‘ Laag van Wijchen; KRWY-2). De kleilaag, waarvan de top is waargenomen op een gemiddelde diepte van 22,20 m - NAP, moet waarschijnlijk geïnterpreteerd worden als overstromingsafzettingen die tijdens incidentele overstromingen in het gebied zijn afgezet. Ter plaatse van boringen 21 tot en met 23 is een opvallende laagte in het pakket aangetroffen. In een groot deel van het plangebied komt op de kleilaag een pakket rivierduinzand (BXDE) voor van circa 6 cm tot 281 cm dik. De hoogste delen van de eolische afzettingen bevinden zich vooral in de zuidwestelijke helft van het plangebied. Naar het noordoosten toe neemt de hoogteligging sterk af. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op de noordoostelijke flank van een gebied met rivierduinen. In de top van het zand, aangeboord vanaf gemiddeld 21,15 m - NAP, zijn sporen van bodemvorming aangetroffen. Op dit niveau is in boring 19 één schilfer vuursteen, die mogelijk het resultaat is van vuursteenbewerking ter plaatse, en in boringen 8 en 28 één spikkel houtskool gevonden. In totaal zijn de rivierduinafzettingen in achttien boringen volledig intact, inclusief de humeuze bodem, aangeboord. In elf boringen is minimaal de top van het zand aangetast. Zo heeft ter plaatse van boringen 7 en 12 een andere jonge geul (SBBL) zich ingesneden tot in de basis van het pakket. Verspreid over het plangebied zijn, vanaf gemiddeld 20,24 m - NAP, overstromingsafzettingen (komafzettingen) aangeboord (KRWY). Vooral in het zuidwestelijke deel, ter plaatse van boringen 4, 5, 10, 17 en 18, ontbreekt de tweede kleilaag of is deze heel dun. Waarschijnlijk is de klei hier niet of nauwelijks afgezet door de (oorspronkelijk) hogere ligging van de rivierduinzanden. Naar het noordoosten toe neemt de dikte van de kleilaag sterk toe. In de basis, direct op de overgang naar de onderliggende rivierduinafzettingen, is in boring 8 een aantal grotere brokjes houtskool gevonden. In boring 21 is op hetzelfde niveau mogelijk één spikkel houtskool aangetroffen. Ter plaatse van boringen 9 en 16 is de vulling van een zogenaamde Wijchen geul (KRWY-gf) aangetroffen. Door de erosieve werking van de geul heeft deze zich ingesneden in de onderliggende afzettingen. De top van de Wijchen-klei is alleen intact aangetroffen in boringen 2, 20, 25, 33 en 35. In deze boringen gaat de klei geleidelijk over in een gemiddeld 5 cm dik laagje kleiig veen (Formatie van Nieuwkoop, Basisveen Laag; NIBA). De geërodeerde top van het veen is op een gemiddelde diepte van 20,11 m - NAP waargenomen. Hierboven (boringen 25 en 35) of direct op de overstromingsafzettingen (boringen 27 en 34) is een pakket humeuze klei aangeboord. Deze overwegend fluviatiele klei, waarvan de geërodeerde top zich bevindt op een gemiddelde diepte van 19,66 m - NAP, kan geïnterpreteerd worden als zoetwatergetijdenafzettingen (Formatie van Echteld; EC). De top van de natuurlijke ondergrond bestaat uit een pakket jongere mariene zeezanden (SBBL). De dikte van het zandpakket, waarvan de top is aangeboord op gemiddeld 19,85 m - NAP, varieert sterk in het plangebied. De natuurlijke ondergrond in het plangebied gaat tot slot abrupt over in een recente sliblaag van gemiddeld 44 cm dik.Concluderend kan gesteld worden dat in het plangebied een tweetal stratigrafische niveaus voorkomen met een verhoogde archeologische potentie. Voor de rivierduinafzettingen (BXDE), waarvan de top is waargenomen op een maximale diepte van 22,87 m - NAP en op een minimale diepte van 19,89 m - NAP, geldt een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Vroeg en/of Midden-Mesolithicum. Dit geldt ook voor de overstromingsafzettingen (KRWY), waarvan de top is aangeboord op een maximale diepte van 21,51 m - NAP en op een minimale diepte van 18,98 m - NAP, en dan in het bijzonder de zone nabij de Wijchen-geul ter plaatse van boringen 9 en 16. Mogelijk vormen de aangetroffen archeologische indicatoren in boringen 8, 19, 21 en 28 een aanwijzing voor de aanwezigheid van een of meerdere archeologische vindplaatsen uit het Vroeg en/of Midden-Mesolithicum in het plangebied. Dit is echter niet met zekerheid te zeggen. Aangezien de geplande baggerwerkzaamheden reiken tot maximaal 45 à 46 m - NAP vormen deze wel een bedreiging voor de aanwezige archeologisch kansrijke niveaus.Aanbevelingen: Op grond van het bureauonderzoek en het verkennend inventariserend veldonderzoek (IVO Opwater) luidt de aanbeveling voor het plangebied Zwaaikom Amaliahaven, gelegen op Maasvlakte 2 te Rotterdam, dat er een karterend inventariserend veldonderzoek (IVO Opwater) noodzakelijk is om de aan- of afwezigheid en (daar waar mogelijk) de begrenzing van archeologische vindplaatsen in het gebied vast te stellen. Geadviseerd wordt om deze karterende fase te richten op de zone met intacte rivierduinafzettingen (BXDE), op de overgang naar de lager gelegen vlakte (KRWY), in het zuidwestelijke deel van het plangebied. De aangetroffen archeologische indicatoren in boringen 8 en 19 en de Wijchen-geul in boringen 9 en 16 kunnen als uitgangspunt dienen voor het vervolgonderzoek. De exacte omvang en vorm van het vervolgonderzoek dient in overleg met het bevoegd gezag nader bepaald te worden. Voor het noordoostelijke deel van het plangebied, ter hoogte van boringen 24, 31, 36 tot en met 40, hoeven geen voorzieningen te worden getroffen om archeologische waarden te behouden of te ontzien. Zonder verder archeologisch onderzoek kan worden gestart met de voorgenomen werkzaamheden in dit deel van het plangebied.