Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens ligt het noordwestelijk gelegen deelgebied op een rivierduin. In de tijd van de Jagers-Verzamelaars (einde Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) zullen de hoger gelegen rivierduinen een gunstige ligging hebben gehad als tijde-ijke nederzettingslocatie. Ook vanaf het Neolithicum vormde deze landschappelijke eenheden gunstige locaties voor permanente bewoning door Landbouwers. Hierbij vormde vooral de overgangsposities, zoals de flanken van rivierduinen, de meest gunstige locaties voor bewoning. De hoger gelegen rivierduinen werden gebruikt als landbouwgronden, hoewel de vaak droge tot zeer droge bodem op de rivierduinen (zonder plaggendek) een beperkende factor vormde.
Het noordwestelijk gelegen deelgebied ligt tevens binnen de historische dorpskern van Gendringen. Vanuit het oudst beschikbare historisch kaartmateriaal blijkt dat aan het begin van de 19e eeuw in het zuidelijke deel van het noordwestelijk gelegen deelgebied bebouwing stond (een school en een woonhuis met erf). In de zuidwesthoek heeft ook de boerderij van Breukink gestaan, zichtbaar op fotomateriaal uit de jaren ’50 van de 20e eeuw. Tevens heeft er in de noordwesthoek (westelijke deel van het huidige parkeerterrein) aan het begin van de 20e eeuw een woning gestaan. Wellicht dat ondergrondse resten van deze bebouwing bewaard zijn gebleven (niet volledig verwijderd tijdens sloopwerkzaamheden en navolgend de bouw van de bestaande supermarkt). Tevens kan niet worden uitgesloten dat binnen het noordwestelijk gelegen deelgebied (een) voorganger(s) van een woonerf/woonerven heeft/hebben gestaan. Mogelijk is daarbij door vrij intensieve bewonings- en agrarische activiteiten een oude woongrond ontstaan. Gravend onderzoek uitgevoerd ten oosten van het noordwestelijk gelegen deelgebied, binnen de historische dorpskern van Gendringen, hebben archeologische resten en bewoningssporen uit de Volle-/Late-Middeleeuwen, sporen van productie van ijzer als muurwerk uit de 19e en 20e eeuw opgeleverd. Het laat zien dat op het rivierduin waar de historische kern van Gendringen op ligt, vanaf de Volle-/Late-middeleeuwen bewoningsactiviteiten hebben plaatsgevonden/geschikt was als bewoningslocatie.
Het noordwestelijk gelegen deelgebied heeft dan ook een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische bewoningsresten en -sporen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. Voor de perioden Volle-/Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd is de verwachting zeer hoog. Archeologische resten worden verwacht in de top van de rivierduinafzettingen. Op basis van het historisch gebruik van het plangebied is juist de verwachting dat er sprake is van een cultuurlaag of oude woongrond, waarin vooral fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool kunnen voorkomen. De archeologische resten en sporen worden in de gehele cultuurlaag wacht, waarbij juist uit de perioden Volle-/Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd sporen van een (boeren)erf gevonden kunnen worden van zowel hout- als steenbouw. Paalsporen, funderingsresten als waterputten kunnen op grotere diepte worden verwacht.
Het zuidoostelijk gelegen deelgebied ligt binnen een verlande restgeul/oude rivierbedding. Oude rivierbedding/restgeulen vormde geen gunstige locatie voor (tijdelijke) bewoning. Deze landschappelijke zones zullen zeer regelmatig te kampen hebben gehad met zeer natte/drassige condities, zeker vanaf de Romeinse tijd toen het gebied van de Oude IJssel ook vaak overstroomde (en er een pakket Laat-Holocene overstromingsklei sedimenteerde, zeker binnen de restgeulen). Binnen/langs de randen van restgeulen, als overgangszone van hoog naar laag en van droog naar nat met bijbehorende biodiversiteit, zorgt er wel voor dat er sprake is van een verhoogde trefkans voor resten die in verband staan met water-/rivierdalgebonden activiteiten. Voor de natte zones geldt dan ook dat er archeologische vondsten en structuren kunnen voorkomen die afwijken van de ‘normale’ archeologische resten, zoals:
• sporen van (zeer) tijdelijke verblijfplaatsen of kampementen (met name voor specifieke activiteiten, zoals jacht en visvangst);
• sporen die in verband gebracht kunnen worden met het verzamelen van voedsel (vis, wild, gevogelte en planten) met als archeologische neerslag: eendenkooien, visvijvers en jachtattributen (zoals fuiken, strikken, netten, pijlpunten en harpoenen);
• stort/afvaldumps;
• deposities (al dan niet van rituele aard), welke kunnen bestaan uit stenen en metalen voorwerpen, potten en menselijke of dierlijk resten, bepaalde gereedschappen en sierraden;
• sporen van transport via en infrastructurele werken over dan wel langs het water/rivierdal: vaartuigen/kano’s kadewerken, voorden, brug¬¬gen, knuppelpaden, sluizen, stuwen, dammen en beschoeiingen;
• agrarische activiteiten: percelering, omheiningen en waterputten.
Het zuidoostelijk gelegen deelgebied ligt in het verlengde van een strook waar afgravingen hebben plaatsgevonden (meest waarschijnlijk kleiwinning voor de baksteenindustrie), waarna het deels een waterplas betrof/doorsneden werd door watergangen en in de eerste helft van de 20e eeuw grond is aangebracht, ten behoeve van het inrichten als woonpercelen/bedrijfspercelen. Tevens hebben in de noord- en oosthoek van het zuidoostelijk gelegen deelgebied saneringswerkzaamheden plaatsgevonden, waarbij ontgravingen tot maximaal 2,5/2 m -mv zijn uitgevoerd. Voor het zuidoostelijk gelegen deelgebied kan dan ook worden gesteld dat er geen verwachting meer geldt op het voorkomen van watergerelateerde resten.
Conclusie en advies noordwestelijk gelegen deelgebied
Het bureauonderzoek toont aan dat er zich juist in het noordwestelijk gelegen deelgebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Er geldt voor het noordwestelijk gelegen deelgebied in zijn algemeenheid een hoge verwachting voor alle perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. In het bijzonder vanwege de ligging van het noordwestelijk gelegen deelgebied binnen de historische dorpskern van Gendringen is de kans zeer groot op het voorkomen van archeologische resten uit de Volle-/Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Aangezien een groot deel van het noordwestelijk gelegen deelgebied bebouwd is met een supermarkt en juist binnen deze begrenzing, als ook binnen het noordelijk gelegen parkeerterrein, nog ondergrondse restanten van steenbouw kunnen worden verwacht, wordt een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (zowel de verkennende als karterende fase) niet zinvol geacht.
Econsultancy adviseert dan ook om na bovengrondse sloop van de supermarkt binnen het noordwestelijk gelegen deelgebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Hierbij kan sprake zijn van meerdere archeologische vlakniveaus. Voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE dient te worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Oude IJsselstreek).
Conclusie en advies zuidoostelijk gelegen deelgebied
Voor het zuidoostelijk gelegen deelgebied geldt, vanwege reeds uitgevoerde afgravingen, geen verwachting meer geldt op het voorkomen van (watergerelateerde) archeologische resten/sporen. Daarnaast zal de geplande nieuwbouw van een supermarkt zeer waarschijnlijk beperkt blijven tot het rond begin jaren ’30 van de 20e eeuw aangebracht pakket grond, aangevoerd om een afgegraven deel van een restgeul op te vullen. Econsultancy adviseert dan ook om voor het zuidoostelijk gelegen deelgebied geen vervolgonderzoek/aanvullend onderzoek te laten uitvoeren.
Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. Ten aanzien het zuidoostelijk gelegen deelgebied kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten. Mochten hier tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).