15025158 OUD.HEN.ARC Eindrapportage archeologisch onderzoek Hoofdstraat 47 te Varsselder

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachtingHet plangebied ligt binnen het rivierengebied van de Oude IJssel en specifiek op een rivierduin van beperkte omvang. In de tijd van de Jagers-Verzamelaars (einde Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) zullen de hoger gelegen rivierduinen een gunstige ligging hebben gehad als tijdelijke nederzettingslocatie. Vanaf het Neolithicum vormden vooral de overgangsposities gunstige locaties voor bewoning. De hoger gelegen rivierduinen werden gebruikt als landbouwgronden, hoewel de vaak droge tot zeer droge bodem op de rivierduinen (zonder plaggendek) een beperkende factor vormde. Een plaggendek wordt binnen het plangebied niet verwacht. Daarbij dient er rekening te worden gehouden dat (een deel van) het rivierduin in het Vroeg-Holoceen bedekt is geraakt met een pakket rivierklei (Laag van Wijchen 2). Bij een ondiep voorkomen van het onderliggende rivierduinzand (voornamelijk matig fijn tot matig grof zand) werd deze opgemengd met de afdekkende kleilaag, om zo de draagkracht en waterhuishouding van de grond te verbeteren. Dergelijke gronden worden ook wel aangeduid als gebroken gronden. Historisch kaartmateriaal geeft aan dat het plangebied vanaf in ieder geval het begin van de 19e eeuw in gebruik was als akkerland. In de tweede helft van de 19e eeuw werd in het zuidoostelijke deel van het plangebied een korenmolen gebouwd, waarna het overige terrein, ten dienste van de korenmolen, bebouwd is geraakt met onder andere een malerij en een bakkerij. Binnen de voorheen bebouwde terreindelen van het plangebied zullen bodemingrepen en dus bodemverstoringen hebben plaatsgevonden, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten en/of sporen verstoord zijn geraakt/weggegraven zijn. Er dient wel rekening te worden gehouden met ondergrondse restanten/funderingen van oudere bebouwing die nog aanwezig kunnen zijn in de bodem.Op basis van de verwachte aanwezige afzettingen en landschappelijke ligging is de verwachting hoog voor de aanwezigheid van resten en sporen uit alle perioden. Voor Jagers-Verzamelaars kunnen resten (en mogelijk nog sporen) worden verwacht van een basis-/extractiekamp (complextype 5b). Resten en sporen van Landbouwers kunnen worden verwacht in de vorm van een nederzettingscomplex of huisplaats. Voorheen was er mogelijk sprake van een matig/hoge dichtheid van resistente mobilia (aardewerk, metaalresten (lokale ijzerproductie) en een matig/hoge spoordichtheid (immobilia). Binnen het vondstenspectrum domineert meestal houtskool, aardewerk en (vuur)steen. Er kunnen dichte of minder dichte sporenclusters voorkomen, bestaande uit resten van greppels, erfafscheidingen, kuilen, de paalkuilen van één of meerdere (bij)gebouwen (complextype 5b). In zijn algemeenheid kunnen ook puntlocaties van zeer beperkte omvang voorkomen. Deze behoren tot het complex met geen sporen en een zeer lage en diffuse vondstdichtheid (complextype 0).Indien er grondverbeteringswerkzaamheden zijn uitgevoerd, waarbij een mogelijk voorheen aanwezig het afdekkend kleipakket is opgemengd met het onderliggende rivierduinzand, dan zal het archeologisch spoorniveau zijn verstoord en ex-situ liggende mobilia (archeologische resten) blootgesteld zijn aan degradatieprocessen. Hierdoor zal de matig/hoge dichtheid van resistente mobilia en de matig/hoge spoordichtheid lager zijn geworden.Voor de aanleg van water- en drenkkuilen en het gebruik als dumplocatie van afval waren de overgangsposities van het rivierduin naar de omliggende en lager gelegen riviervlaktes meest geschikt. Deze complextypen lagen logischerwijs niet te ver van de bewoningslocatie. Het AHN geeft aan dat het plangebied zelf op de hogere delen van het rivierduin ligt, waarop het merendeel van de bebouwde kom van Varsselder is gelegen. De kans op de aanwezigheid van water- en drenkkuilen en/of een dumplocatie binnen het plangebied wordt daarom geringer geacht.Archeologisch onderzoek binnen het uitgestrekte rivierduinengebied waar Ulft op ligt, ten oosten van Varsselder, hebben diverse archeologische vindplaatsen opgeleverd daterend vanaf de Bronstijd. Archeologische vooronderzoeken binnen/aan de rand van de bebouwde kom van Varsselder, dat grotendeels binnen een rivierduinengebied van beperkte omvang ligt, heeft tot op heden geen archeologische vindplaatsen opgeleverd. Dat wilt echter niet zeggen dat deze kleine rivierduinen gemeden werden als bewoningslocatie.Resultaten inventariserend veldonderzoekUit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de bodemopbouw in het overgrote deel van het plangebied reeds dermate verstoord is door moderne bodemingrepen, waardoor de natuurlijke bodemopbouw tot minimaal aan de oorspronkelijke top van de 1C-horizont verstoord is geraakt. De verstoringsdiepte is gemiddeld 90 cm -mv, maar in het centrale deel van het plangebied, waar onderkelderde bebouwing heeft gestaan, is de bodem zeer diep verstoord, tot circa 220 cm -mv. De sloop lijkt alle ondergrondse delen van de voormalige bebouwing te hebben verwijderd. In het geroerde/verstoorde deel van de bodemopbouw komt plaatselijk resten recent baksteen/bouwpuin voor. Dit betreffen resten die zeer waarschijnlijk bij de sloop van de bebouwing enkele jaren gelegen vermengd zijn geraakt in de bovengrond door rondrijdende zware machines.Alleen ter plaatse van een boring in het uiterst noordelijke deel en het uiterst zuidelijke deel van het plangebied is nog sprake van een deels intact natuurlijk bodemprofiel, in de vorm van een holtpodzolprofiel (bruine bosgrond). Het gaat waarschijnlijk om zeer kleine terreindelen waar nog een deels intact bodemprofiel aanwezig is. Hoewel het booronderzoek in de verkennende fase is uitgevoerd, zijn in het verkruimelde opgeboorde materiaal van deze twee boringen, evenals bij de overige boringen, geen archeologische indicatoren aangetroffen.In het gehele plangebied zal het van nature gevormde bodemprofiel een holtpodzolprofiel (bruine bosgrond) zijn geweest. Een afdekkende laag Holocene klei is niet waargenomen, wat aangeeft dat tijdens perioden van hoogwater het plangebied nog steeds boven het hoogwaterniveau uitstak. Het holtpodzolprofiel heeft zich gevormd in de top van een pakket vrij goed gesorteerd rivierduinzand. Dit pakket loopt door tot een diepte van gemiddeld 160 cm -mv. Hieronder komt een zandige kleilaag voor en betreft de 1e Laag van Wijchen. Deze kleilaag heeft een dikte van circa 30 cm. Op een diepte van gemiddeld 190 cm -mv vindt de overgang plaats vrij slecht gesorteerd en plaatselijk zwak grindig, matig grof zand. Dit betreffen vlechtende rivierterrasafzettingen van het Laagterras.ConclusieGeconcludeerd wordt dat, op basis van de waargenomen recent verstoorde bodemopbouw, de hoge archeologische verwachting (op basis van het bureauonderzoek) kan worden bijgesteld naar een lage archeologische verwachting. Vanwege de verstoorde bodemopbouw zullen eventueel aanwezige resten van puntlocaties van zeer kleine omvang (complextype 0), restanten van een basis-/extractiekamp (Jagers-Verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) (complex-type 5b) reeds verstoord dan wel volledig verwijderd zijn. Er zijn voor de archeologie geen gevolgen vanuit de voorgenomen bodemingrepen.SelectieadviesOp grond van de resultaten van het archeologisch vooronderzoek adviseert Econsultancy om, binnen het kader van de AMZ-cyclus, geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. In het overgrote deel van het plangebied is sprake van een verstoord bodemprofiel tot in de 1C-horizont. De twee boringen waar nog wel een deels intact holtpodzolprofiel is waargenomen, hebben geen ligging waardoor er sprake is van een te begrenzen terreindeel van enige omvang waar het oorspronkelijke bodemprofiel door recente ingrepen minder verstoord is. Hoewel het booronderzoek in de verkennende fase is uitgevoerd, zijn archeologische indicatoren niet aangetroffen.Wel dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentenwet 1988) kenbaar te worden gemaakt om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. Het verdient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Oude IJsselstreek (de heer T. ten Brinke) en diens adviseur (de heer drs. M. Kocken, Regionaal Archeoloog regio Achterhoek) hiervan per direct in kennis te stellen

Date Accepted: 2016-01-06

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-x6c-6e2d
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-x6c-6e2d
Provenance
Creator E.M. ten Broeke
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor E.M. Broeke, ten; Econsultancy
Publication Year 2016
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact E.M. Broeke, ten (Econsultancy)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/pdf; text/xml
Size 8695674; 13053; 12580; 1072; 5429
Version 1.0
Discipline Humanities