Laagland Archeologie heeft in augustus en september 2023 een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Graafdijk tegenover 13 te Lopik. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de bouw van een vrijstaande woning met een bijgebouw.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Op basis van het bureauonderzoek bleek dat het plangebied deel heeft uitgemaakt van de Lopikse stroomgordel en deze rivierstroom was actief in de periode van 3700 tot 2400 voor Christus. Na het droogvallen werd de stroomgordel geschikt voor bewoning. In de top van de oeverafzettingen van de Lopikse stroomgordel, op ongeveer 1 tot 2 m onder het maaiveld, kunnen archeologische waarden uit het Neolithicum tot en met de IJzertijd aanwezig zijn. Een eventuele archeologische vindplaats bestaat waarschijnlijk uit de resten van een agrarische nederzetting en zal zich manifesteren als een archeologische laag; een humeuze, ontkalkte laag met daarin kleine aardewerkfragmenten, brokjes verbrande leem en houtskool. Dit niveau is bedekt geraakt met een laag komklei.Vanwege de ligging naast de Graafdijk kunnen archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd aanwezig zijn. Een eventuele archeologische vindplaats zal bestaan uit de resten van een boerenerf en zal zich manifesteren als een concentratie van aardewerk en resten bouwmateriaal in een humeuze opgebrachte laag direct onder het maaiveld. Op basis van het historische kaartmateriaal worden geen resten van een boerenerf verwacht, maar dit valt voor de periode voor 1800 nog niet helemaal uit te sluiten.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.De ondergrond van het plangebied bestaat uit oever- op beddingafzettingen van de Lopikse stroomgordel. In de top van de oeverafzettingen is een vegetatieniveau ontstaan. Dit wordt afgedekt door een pakket komklei. In de top van de komklei is een recente bouwvoor aanwezig. De vegetatieniveau is doorzocht op de aan- of afwezigheid van archeologische indicatoren maar deze zijn alleen in boring 2, in het noordwesten van het plangebied, aangetroffen. Hier zijn fragmenten handgevormd aardewerk (periode Neolithicum-IJzertijd), houtskoolbrokken en brokjes verbrande leem gevonden in de donkergrijze laag op 85 cm onder het maaiveld.Tijdens het booronderzoek is in het noordwesten van het plangebied een archeologische vindplaats uit de prehistorie ontdekt. Deze vindplaats en de vegetatiehorizont elders in het plangebied kunnen ontzien worden door het toepassen van archeologievriendelijk bouwen. Dit kan door een maximale verstoringsdiepte van 55 cm onder het maaiveld te hanteren en een ?beperkt? heipalenplan, waarbij 2% of minder van het oppervlak van het plangebied ?bedekt? zal worden door heipalen en gewerkt gaat worden met een minimale afstand tussen twee heipalen van 4 meter. Als dit toegepast kan worden, dan kan het plangebied vrijgegeven worden voor de voorgenomen ontwikkeling.Indien dit niet mogelijk is adviseren wij de mogelijke archeologische vindplaats in het noordwesten van het plangebied nader te onderzoeken door het uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). De werkwijze van het proefsleuvenonderzoek dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Lopik, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente (ODRU).Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (033 421 74 56) of via de website: www.cultureelerfgoed.nl/contact.