Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (13048.002) Verdilaan 14a te Doetinchem

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Middeleeuwen. Deze verwachting is vooral gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied op een rivierduin en specifiek voor het noordwestelijke deel van de naar het noorden toe aflopende flank van deze rivierduin, als overgang naar geïsoleerd gelegen laagtes en het beekdal van de Slingebeek. Voor zowel Jagers-Verzamelaars als voor Landbouwers vormde deze landschappelijke eenheid een geschikte (tijdelijke) bewoningslocatie. De gunstige ligging van het plangebied als (tijdelijke) bewoningslocatie wordt ook duidelijk bevestigd door reeds uitgevoerd gravend onderzoek nabij het plangebied, waar meerdere archeologische vindplaatsen aangetroffen uit de Steentijd, de Late-Prehistorie als de Middeleeuwen zijn aangetroffen. Alleen voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag, aangezien uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf de tweede helft van de 18e eeuw in gebruik was als productiebos. Pas rond begin jaren ’30 van de 20e eeuw werd het plangebied in agrarisch gebruik genomen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is Doetinchem niet gespaard. Bij de Duitse inval in mei 1940 en de bevrijdingsoperaties voor de Achterhoek in maart en april 1945 werd de strijd op de grond gevoerd. In de tussenliggende oorlogsjaren was de oorlog met name en luchtoorlog. Deze luchtoorlog heeft diverse sporen nagelaten. Er zijn onder andere meerdere zoeklichten en Flak-batterijen (luchtafweergeschut) geplaatst door de Duitsers. Na de Slag om Arnhem in september 1944 kwam de frontlijn in het rivierengebied te liggen, niet ver ten zuiden van Doetinchem. Door de Duitsers werden in de winter van 1944-1945 meerdere verdedigingslinies geplaatst, met loopgraven en antitankgrachten. In 2013 is in het tracé van de Oostelijke Randweg te Doetinchem (700 m ten noordoosten van het plangebied) een deel van het Duitse loopgravenstelsel in kaart gebracht. De bouw van de huidige school en verdere inrichting van het plangebied als schoolterrein heeft begin jaren ’70 van de 20e eeuw plaatsgevonden.Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) blijkt dat binnen het overgrote deel van het plangebied recente bodemingrepen zijn uitgevoerd, met als gevolg dat het oorspronkelijke bodemprofiel reeds volledig verstoord/vergraven is. De bodemopbouw bestaat over het algemeen uit een onder de klinker-/tegelverharding aanwezige laag cunet-/stabilisatiezand tot maximaal 40 cm -mv. Hieronder komt een pakket humeus zand voor tot minimaal 55 en maximaal 120 cm -mv en deze is qua dikte sterk variabel en is plaatselijk ook vermengd met geel zand (gevlekte bodemlaag). Het gaat waarschijnlijk om humeuze grond dat tijdens/direct na de bouw van de bestaande school en verdere inrichting van het schoolplein is teruggestort. Deels zal het ook van elders aangevoerde grond zijn, aangezien er geen aanleiding is te veronderstellen dat er binnen het plangebied een dik humeus zanddek in de vorm van een plaggendek heeft gelegen. Met veelal een scherpe overgang betreft de onverstoorde bodem direct de C-horizont, in de vorm van rivierduinzand. Slechts bij één boring (boring 4, in het noorden) is een intact restant van een BC-horizont aangetroffen van waarschijnlijk een holtpodzolbodem/bruine bosgrond, het natuurlijk bodemprofiel. Het rivierduinzand loopt door tot een diepte van minimaal 170 en maximaal 315 cm -mv (zuidelijke deel plangebied), echter ten opzichte van NAP wel tot een enigszins vergelijkbare diepte. Hierbij worden de bevindingen vanuit het bureauonderzoek bevestigd dat het zuidelijke deel van het plangebied op een hoger deel binnen het rivierduinlandschap ligt en in noordelijke richting sprake is van een aflopende flank. Onder de rivierduinafzettingen is de Laag van Wijchen aanwezig die waarschijnlijk gesedimenteerd is tijdens de laatste relatief warme fase van het Laat-Glaciaal (het Allerød interstadiaal). Een lokaal boven de Laag van Wijchen aanwezige dunne veenlaag in het westelijke deel van het plangebied, duidt op een lokale depressie tegen het einde van het Allerød-interstadiaal, waar dermate natte/drassige condities heerste dan veengroei mogelijk was. Onder de Laag van Wijchen zijn vlechtende rivierterrasafzettingen aanwezig die tot het Laagterras behoren. In het noordelijke deel van het plangebied ontbreekt de Laag van Wijchen en vindt juist direct een overgang plaats van rivierduinafzettingen naar vlechtende rivierterrasafzettingen. Waarschijnlijk komt binnen dit deel van het plangebied een restant van een wat hoger gelegen rivierterrasrest voor (binnen het Laagterras).De karterende fase van het booronderzoek heeft bij één boring resten plastic opgeleverd in het humeuze pakket grond. Er zijn geen indicatoren van enige ouderdom aangetroffen. Daarnaast zijn er geen lagen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een oude antropogene bodemhorizonten (oude akkerlagen/cultuurlagen) met een datering die dan mogelijk ouder zou kunnen zijn dan de periode van ontginning van het gebied.Conclusie Geconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om nog restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een hoge verwachting gold op het aantreffen van archeologische indicatoren uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Middeleeuwen, kan dan ook worden bijgesteld naar een lage verwachting. Voor de perioden Nieuwe tijd was de verwachting al laag.Advies Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Binnen het overgrote deel van het plangebied hebben bodemverstorende ingrepen plaats gevonden, waardoor het potentiële archeologische vondst- als sporenniveau sterk is aangetast dan wel volledig verwijderd is. Het opgeboorde materiaal heeft verder ook geen archeologisch relevante indicatoren opgeleverd. Een archeologische vindplaats wordt niet meer verwacht binnen het plangebied.Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Het verdient aanbeveling ook de regioarcheoloog (de heer D. Kastelein) en de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Doetinchem hiervan per direct in kennis te stellen.

Date Accepted: 30-12-2020

Date Accepted: 2020-12-30

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-zqs-3v7h
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-zqs-3v7h
Provenance
Creator E.M. ten Broeke
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor E.M. Broeke, ten; E.M. ten Broeke (Econsultancy); Econsultancy
Publication Year 2020
Rights DANS Licence; info:eu-repo/semantics/restrictedAccess; https://doi.org/10.17026/fp39-0x58
OpenAccess false
Contact E.M. Broeke, ten (Econsultancy)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; application/pdf
Size 12497; 12750430; 12437; 1064; 4585
Version 1.0
Discipline Humanities