Eindrapportage archeologisch bureauonderzoek (23381.001) NuLelie-project Wolvega te Wolvega

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Voor het plangebied/tracé geldt een paleogeografische ontwikkeling waarbij gedurende de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m het Laat-Neolithicum sprake was van een al dan niet met dekzand bedekte grondmore-ne landschap/overreden stuwwallenlandschap. Daarbij laat het hoogtebeeld zien dat van zuidwest naar noordoost het centrale en zuidoostelijke deel van het plangebied/tracé een hogere ligging heeft binnen dit zogenaamde keileemplateau van de Stellingwerven. Dit landschap werd tevens in het noordwestelijke deel en het centraal-zuidoostelijke deel van het plangebied/tracé doorsneden door de iets lager gelegen/netto insnijdende stroomdalen/beekdalen van de voorlopers van de Tsjonger en De Lende/De Linde. Dit dekzand-/glaciale landschap vormde tijdens het (Laat-)Paleolithicum t/m het Laat-Neolithicum een geschikt gebied voor het ontplooien van (tijdelijke) bewoningsactiviteiten door jagers-verzamelaars en vroege-landbouwers. Hierop kunnen vuursteenvindplaatsen/nederzettingsresten aanwezig zijn, waarbij de meest kansrijke plekken de zandruggen/-koppen en grondmoreneruggen/overreden stuwwallen betreffen, met name de gepodzoleerde. Als het zand namelijk voldoende lang droog geweest is voor podzolering, is het doorgaans ook geschikt geweest voor bewoning. Ook zones langs dobben (specifiek uitwaaiïngskommen die ter hoogte van de noordoostelijke delen van het plangebied/tracé worden verwacht en voorheen natuurlijke waterbronnen vormden) worden verwacht en die voorheen natuurlijke waterbronnen vormden) werden waarschijnlijk gezien als geschikte locaties voor Steentijdbewoning. Archeologische resten uit de Steentijd zullen in de top van het dekzand/grondmorene vooral uit houtskoolspikkels bestaan. Dergelijke houtskool-deeltjes komen gewoonlijk in een ruime spreiding rond steentijdvindplaatsen voor. Tevens dient rekening te worden gehouden met resten van vuursteenbewerking. Deze resten bestaan dan uit vuursteensplinters of afslagen. Dergelijke resten worden vanaf het maaiveld in het centrale en zuidoostelijke deel van het plangebied en in het noordwestelijke en het centraal-zuidoostelijke deel van het plangebied/tracé afgedekt door een (nog deels niet ontgonnen) veendek. In de overgangsgebieden worden ze relatief ondiep verwacht onder een moerige tussenlaag. Er dient wel rekening te worden gehouden dat binnen delen van vooral het dagzoomende, al dan niet met dekzand bedekte grondmorene landschap/overreden stuwwallenlandschap, eventuele aanwezige archeologische resten al ernstig verstoord zijn (met name door agrarische activiteiten). Juist waar sprake is van nog een afdekkend veenpakket, zullen organische resten relatief goed geconserveerd zijn. Enkele archeologische onderzoeken uitgevoerd nabij/langs het plangebied/tracé hebben restanten van Steentijd-/vuursteenvindplaatsen opgeleverd. Een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd nabij het westelijke deel van het plangebied/tracé binnen de bebouwde kom van Wolvega heeft laten zien dat er sprake is geweest van meerdere vuursteenvindplaatsen, maar dat door uitvlakken van het terrein (vermoedelijk ten behoeve van agrarisch gebruik) vuursteenartefacten zich hebben verspreid (ligging ex situ) en eventuele sporen al vergraven zijn.

Tevens konden langs stroomdalen/beekdalen van de voorlopers van de Tsjonger en De Lende/De Linde en hierop afwaterende lokale beekdalen, specialistische activiteiten worden ontplooid. Hier kunnen zogenaamde beekdalgerelateerde resten in beekdalafzettingen en verlande/met veen opgevulde beekmeanders worden verwacht, maar vaak niet meer dan puntlocaties vormen (denk aan jacht op wild, gebruik van vis-fuiken in het beekdal). De noordelijke, oostelijke en centraal-zuidoostelijke delen van het plangebied/tracé doorkruist dergelijke beekdalzones. De diepteligging van beekdalgerelateerde resten is afhankelijk de dikte van het bovenliggende (resterende) pakket hoogveen, met naar verwachting een diepere ligging onderin verlande/met veen opgevulde beekmeanders. Organische resten zullen ook hier relatief goed geconserveerd zijn. Ook daar waar het oostelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied/tracé het dal van De Lende/De Linde doorkruist, dient rekening te worden gehouden met restanten van een voorde (denk aan stenen of takkenbossen, waarmee een voorde kon worden verstevigd).

Vanaf waarschijnlijk het Midden-Neolithicum vernatte het gebied dermate dat de eerste hoogveenvegetaties tot ontwikkeling kwamen. Dit hoogveen breidde zich steeds verder uit, waardoor waarschijnlijk in de loop van het Laat-Neolithicum en de Vroege-Bronstijd het plangebied/tracé alleen nog kleine gebieden met hoger gelegen loofbos doorsneed, naast gebieden met elzenbroekbos (dekzandwelvingen) en hoogveengebieden (dekzandvlakten/-laagten en voormalige beekdalen). Rond 1500 v. Chr. (Midden-Bronstijd) staken alleen de meest hoge delen van de overreden stuwwallen bij Wolvega, Oldeholtpade en Nijeholtpade uit boven het hoogveenlandschap. Tijdens de perioden IJzertijd t/m de Vroege-Middeleeuwen zal sprake zijn geweest van een uitgestrekt hoogveengebied/veenmoeras, waardoor voor deze archeologische perioden het plangebied/tracé ongeschikt zal zijn geweest voor bewoning.

Het hoogveen in de omgeving van Wolvega is tussen de 11e en 13e eeuw ontgonnen. Veenontginningen vonden veelal plaats vanuit veenriviertjes, zoals De Tsjonger en De Lende/De Linde. Zo’n 800 jaar geleden, vanaf het jaar 1218, wordt er voor het eerst over Wolvega gesproken. Het dorp heette toen nog Wolwagham. Het plangebied/tracé lopen echter niet door, wat door middel van een AMK-terrein aangewezen is als, de historische dorpskern van Wolvega. Er ontstonden in het veenontginningsgebied kleine dorpen, welke vaak als streekdorpen of wegdorpen worden aangeduid. Het plangebied/tracé loopt door verschillende van deze kleine dorpen, gekenmerkt door lintbebouwing/boerenerven langs een enkele doorgaande weg. Archeologische resten en sporen uit de perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen daarmee vooral worden verwacht ter hoogte van waar het plangebied/tracé door streekdorpen/wegdorpen loopt (de dorpen Oldetrijne, Sonnega, Oldelamer, Nijelamer, Nijeholtwolde, Ter Idzard, Oldeholtpade, Steggerda, Peperga en De Blesse). Sporen/structuren bestaan dan uit funderingen, houten palen, paalkuilen, water- en of beerputten en sloten. Deze kunnen worden aangetroffen onder de huidige bouwvoor en kunnen tot grote diepte doorlopen. Vondstmateriaal kan bestaan uit aardewerk, glas, metaal, hout en bouwkeramiek (zoals bakstenen, plavuizen en dakpannen). Deze kunnen al vanaf het maaiveld/direct onder de bouwvoor worden verwacht. In het noordwestelijke en centraal-zuidoostelijke deel van het plangebied zal dit de top van het (resterend) veendek betreffen, maar er dient ook rekening te worden gehouden dat hier terplagen/terpgrond is opgebracht, met hierin archeologische resten en sporen/structuren.

Ter hoogte van waar het plangebied/tracé het dal van De Lende/De Linde doorkruist, kunnen ook weer beekdalgerelateerde resten worden aangetroffen uit de periode Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd, waarbij gedacht moet worden aan restanten van bruggen, kadeconstructies/beschoeiingen en andere waterwerken. Tevens werd in 1672 langs de Linde de “Tsjonger-Lindelinie” aangelegd, als onderdeel van de Friese waterlinie, en werden er schansen aangelegd (een door grondverzet opgeworpen versterking). Verwacht wordt dat ter hoogte van waar het oostelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied/tracé het rivierdal van De Lende/De Linde doorkruist, nabij de Kontermansbrug en de Blessebrug, schansen hebben gelegen (de schans nabij de Blessebrug stond bekend als de Blessenburgschans), waarvan mogelijke restanten nog aanwezig kunnen zijn (denk aan en schanswal en -gracht, beschoeiingen/palissade (aaneengesloten rij van ingegraven palen of staken)). Dergelijke resten/structuren kunnen al vanaf kort aan het maaiveld tot op grotere diepte aanwezig zijn. Gravend onderzoek uitgevoerd nabij de Kontermansbrug en de Blessebrug heeft tot op heden alleen geresulteerd in het aantreffen van resten van vermoedelijk beschoeiingen, van vlechtwerk/een fuik, een weg met bermsloten, turf- winningskuilen en resten/structuren behorende tot de 19e-eeuwse Blessebrug.

Conclusie Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied/tracé mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. In de top van de Pleistocene dekzand-/grondmoreneafzettingen, als onderste potentieel vondstniveau, kunnen Steentijdvindplaatsen (jagers-verzamelaars/vroege-landbouwers) worden aangetroffen, waarbij zandruggen/-koppen, grondmoreneruggen/overreden stuwwallen en mogelijk ook zones langs dobben de meest kansrijke plekken betreffen. Ook resten en sporen uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen worden aangetroffen, gekoppeld aan de veenontginningen van het gebied. Het gaat vooral om woon-/boerenerven (mogelijk ontwikkeld als huisterpjes binnen de veenpolders) die verwacht worden ter hoogte van waar het plangebied/tracé door streekdorpen/wegdorpen loopt. Waar nog sprake is van een (restant van een) veenpakket, binnen het huidige veengebied en waar het noordwestelijke en centraal-zuidoostelijke deel van het plangebied/tracé doorheen loopt, kan sprake zijn van mogelijk twee vondstniveaus. Voor grote delen van de veenpolders/het huidige veengebied waar het noordwestelijke en centraal-zuidoostelijke deel van het plangebied/tracé doorheen loopt, geldt wel een lage verwachting voor de periode IJzertijd en later. Beekgerelateerde resten kunnen nog worden aangetroffen langs stroomdalen/beekdalen van de voorlopers van de Tsjonger en De Lende/De Linde en hierop afwaterende, lokale beekdalen. Ook is er nog van een verwachting op de aanwezigheid van restanten van 17e-eeuwse schansen ter hoogte van waar het oostelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied/tracé het rivierdal van De Lende/De Linde doorkruist.

Advies Geadviseerd wordt binnen het plangebied/tracé een inventariserend veldonderzoek door middel van een karterend booronderzoek (KNA protocol 4003, IVO-O) te laten uitvoeren. Omdat het plangebied/tracé een lijnvormig element betreft, wordt geadviseerd de boringen in één boorraai te zetten over de hartlijn van het geplande kabeltracé, en met een afstand van 25 meter tussen de boringen. De exacte locatie van het geplande kabeltracé, als ook waar elektriciteitskabels zullen worden aangelegd in een open ontgraving en waar middels gestuurde boringen, dient eerst door de initiatiefnemer te worden bepaald. Door middel van het booronderzoek wordt inzicht verkregen in de toestand van het bodemprofiel en de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen (die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen). Van het opgeboorde materiaal dient de laag/dienen de lagen waarin archeologische indicatoren meest waarschijnlijk kunnen worden verwacht, tevens te worden doorzocht op archeologische indicatoren door het te zeven met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Het zeefresidu dient geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. Door middel van het karterend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied/tracé archeologische resten in situ te verwachten zijn.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/1KF5XC
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/1KF5XC
Provenance
Creator Broeke, E.M. ten
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, E.M. ten; Sweco
Publication Year 2025
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, E.M. ten (Sweco)
Representation
Resource Type Archeologisch bureauonderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 13349760
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem