Gemeente Nijmegen, Bureau Archeologie en Monumenten heeft naar aanleiding van de bouwplannen voor een nieuwe woonwijk aan de oostzijde van Wijchen, plangebied Huurlingsedam, een kleinschalige opgraving uitgevoerd en de aanleg van riolerings- en drainagesleuven archeologisch begeleid. Het betreft een vervolgonderzoek op onderzoek BILAN (zie OMG 23281) en het onderzoek van RAAP aan de noordzijde van het plangebied.Dankzij de uitgestrektheid van het plangebied is het mogelijk geweest inzicht te krijgen in de verschillende delen van het landschap. De geplande rioolsleuven en wegcunetten doorsneden het rivierduinenlandschap maar ook de oeverzone in de richting van het Wijchens Maasje. Op de rivierduinen (vindplaats 1 en 2) is vastgesteld dat onder de recente bouwvoor een B-horizont, gevolgd door een C-horizont liggen. Plaatselijk blijkt dat delen van het landschap zijn afgetopt, in andere delen van het plangebied is dit duidelijk niet gebeurd. Op een aantal plaatsen is nog het restant van een cultuurpakket aangetroffen, die over het algemeen geen daterend materiaal heeft opgeleverd. Alleen op de locaties 21–23 zijn de eerder genoemde handgevormde scherven uit deze laag afkomstig.Het terrein rond boerderij ’t Slotje ligt in een gebied dat wat archeologie betreft hoog is gewaardeerd (vindplaats 1). Tijdens de archeologische begeleiding van de aanleg van de rioolsleuven zijn deze archeologische waarden echter niet aangetroffen. Op de twee locaties waar deze wel zouden kunnen worden aangetroffen, de hierboven reeds genoemde bouwputten, reikten de graafwerkzaamheden niet tot het archeologisch relevante niveau. Op deze locaties zijn de eventuele archeologische waarden de komende decennia goed beschermd door de bebouwing. Dat er bij de aanleg van het riool geen archeologische resten zijn aangetroffen komt vermoedelijk omdat het onderzochte deel van de vindplaats tot de periferie van deze behoort. Het ontbreken van archeologische relevante resten in het deel van de vindplaats 1 dat ten zuidwesten van de Huurlingsedam ligt betekent echter niet dat de rest van de vindplaats zonder nader archeologisch onderzoek kan worden opgegeven.In tegenstelling tot wat op basis van de vooronderzoeken is verwacht, zijn ook op vindplaats 2 geen archeologische sporen aangetroffen die ouder zijn dan de nieuwe tijd. Toch kan op basis van de weinige handgevormde scherven, die met name op de locaties 21–23 zijn gevonden, wel aangenomen worden dat er zich in de prehistorische tot vroeg Romeinse tijd activiteiten op deze vindplaats zijn ontplooid. Een (eventueel Romeinse) voorganger van de weg Huurlingsedam is tijdens het onderzoek niet aangetroffen. Wel bestond tijdens de waarnemingen de indruk dat het deel van de weg tussen ’t Slotje en de Graafseweg ouder is dan het tracé vanaf ’t Slotje richting westen, dat op een vlijlaag van zand met jong baksteenpuin is aangelegd. Dit zou kunnen betekenen dat de weg vanaf de Graafseweg oorspronkelijk niet verder dan ’t Slotje heeft gelopen. Het is echter ook niet uitgesloten dat een voorganger ervan ge- woon rechtdoor, zonder de huidige knik, heeft doorgelopen richting Wijchen, voordat ’t Slotje gebouwd is. Na de bouw van ’t Slotje zou dan een deel van de weg (met de huidige knik) zijn verlegd. Het is namelijk opmerkelijk dat Bilan in proefsleuf 4 min of meer in het verlengde van het oostelijk deel van de Huurlingsedam twee greppels heeft aangetroffen. Deze zouden te maken kunnen hebben met een voorloper van de huidige weg. Helaas zijn uit deze sporen geen betrouwbare vondsten geborgen omdat het werkputprofiel tijdens de opgraving is ingestort. Ook het geplande uitgraven van de bedding van het Wijchens Maasje heeft mogelijkheden geboden in het onderzoek naar de opbouw van de bodem ter plekke. Uit de profielen die gedocumenteerd zijn in de oeverzone blijkt dat we hier te maken hebben met oever-op-komafzettingen. Eerstgenoemde betreffen relatief zware texturele afzettingen bestaande uit sterk siltige klei. De komafzettingen daarentegen bestaan uit zwak tot matig siltige klei. De gley-verschijnselen duiden op een sterk wisselende grondwaterstand, veroorzaakt door het Wijchens Maasje. Tijdens het uitgraven van de bedding van het Wijchens Maasje zijn matig tot sterk siltige kleiige afzettingen aangetroffen. Met uitzondering van een stuk hout zijn hier geen vondsten in gedaan. Het hout, vermoedelijk een stuk drijfhout, is in het kader van dit onderzoek niet onderzocht naar de potentie voor dendrochronologisch onderzoek of C14- datering.In de oeverzone zijn de tastbare resten uit sporen van een oven voor het bakken van baksteen en twee ontginnings- of ontwateringsgreppels gedocumenteerd. De oost- en zuidwand van de oven, herkenbaar aan greppels gevuld met roodbruin lemig zand, veel baksteenpuin, brokjes sintels en houtskoolbrokjes, zijn slechts gedeeltelijk in de werkput gedocumenteerd. Een deel van de oven is door ploegen maar ook door het uitgraven van het wegcunet verloren gegaan. De bakstenen die in deze oven geproduceerd zijn, lijken qua formaat en baksel op de bakstenen die gebruikt zijn in de funderingen van boerderij ’t Slotje. Mogelijk is deze oven − en eventuele ovens in de buurt − speciaal voor het bouwen van de boerderij gebouwd.
Archeologische Berichten Nijmegen – Briefrapport 71
Date: Laatste datum veldwerk: 2009-06-12
Date: 2009-06-12