Gespecificeerde archeologische verwachtingOp basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied nog een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden voor de perioden (Laat)-Paleolithicum t/m Romeinse tijd. Deze verwachting is vooral gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied binnen een gebied van gordeldekzandwelvingen, welke langs de lagere flanken van de overreden stuwwal van de Needse Berg liggen. Dekzandwelvingen zijn gebieden die wat betreft hoogteligging, reliëf en bodemvochtigheid een tussenpositie innemen in het dekzandland-schap. Waarschijnlijk waren deze dekzandwelvingen voor Jager-Verzamelaars (Laat)-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) en Landbouwers (Laat-Neolithicum t/m Romeinse tijd) wel voldoende geschikt als (tijdelijke) nederzettingslocatie, maar dat de meeste voorkeur toch wel uitging naar de ten oosten gelegen hoger gelegen glooiende flanken van de Needse Berg dan wel dekzandruggen die vooral ten zuidwesten en westen van het plangebied voorkomen. Voor de perioden Middeleeuwen en Nieuwe tijd (tot de eerste helft van de 18e eeuw) heeft het plangebied een hoge verwachting. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat aan in de tweede helft van de 18e eeuw het plangebied al een gebruik kende als akkerland en maakt deel uit van de oude bouwlandgronden die ten noorden van de historische kern van Neede als nabij de buurtschappen Kysveld en Noordyk lagen. Op dan wel langs de randen van deze oude bouwlandcomplexen lagen vaak diverse boerenerven. Deze oude bouwlandcomplexen en bijbehorende erven zijn al in de Late-Middeleeuwen ontstaan, getuige de restanten van verschillende huisplaatsen/nederzettings-locaties die zijn aangetroffen ten oosten van het plangebied en voornamelijk dateren uit de Vroege- en Late-Middeleeuwen (Gasselte boerderijen).Resultaten inventariserend veldonderzoekUit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) blijkt dat er sprake is van een sterk verstoorde bodemopbouw. Vanaf het maaiveld komen humeuze en sterk gevlekte en daarmee verstoorde bodemlagen voor tot een diepte van gemiddeld 90 cm -mv. De variërende dikte van deze humeuze lagen tot minimaal 65 en maximaal 170 cm -mv, als de onderin zichtbare menglaag van humeus zand met “geel” zand van de 1C-horizont duidt op recente verstoringen/vergraving, waarschijnlijk veelal ten behoeve van de huidige inrichting. Hieronder is sprake van een scherpe overgang plaats direct naar de 1Chorizont. De natuurlijke bodemopbouw betreft nog een pakket (gordel)dekzandafzettingen tot gemiddeld 175 cm -mv, en hieronder sneeuwsmeltwaterafzettingen (hellingsafspoelingen). Op grond van de gezette boringen is het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau aangetast, zo niet volledig verstoord/vergraven. Er zijn verder ook geen archeologische indicatoren aangetroffen.ConclusieGeconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een middelhoge verwachting gold voor de perioden (Laat)-Paleolithicum t/m Romeinse tijd en een hoge verwachting voor de perioden Middeleeuwen en Nieuwe tijd, kan dan ook worden bijgesteld naar geen verwachting.AdviesOp grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Er is sprake van een vrij diepgaande, sterk verstoorde bodemopbouw binnen het plangebied, waardoor archeologische resten niet meer in situ worden verwacht (archeologisch potentiële sporen-/vondstniveau is sterk aangetast dan wel volledig verwijderd). Daarnaast zijn er geen archeologisch relevante indicatoren aangetroffen tijdens het onderzoek. Een archeologische vindplaats wordt niet meer verwacht binnen het plangebied. Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Berkelland en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door mevrouw A. Lugtigheid-Hendriks, d.d. 26 januari 2021 (Zaaknummer: 2021EA0119)). Met bovenstaand advies wordt ingestemd.Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Date Accepted: 27-01-2021
Date Accepted: 2021-01-27