De onderzoekslocatie ligt op de overgang van de beddinggordel van Lienden naar het zuidelijker gelegen komgebied. Op de onderzoekslocatie zijn de oeverafzettingen van deze stroomgordel waarschijnlijk afgedekt door oeverafzettingen van de meandergordel van Mars–Oude Rijn. Deze overgang heeft een middelhoge trefkans op archeologische resten uit de periode Romeinse Tijd – Nieuwe Tijd. Deze middelhoge trefkans is in de omgeving bevestigd door de waarneming van een oude woongrond direct ten westen van de onderzoekslocatie en de vondst van bronzen voorwerpen direct ten zuiden van de onderzoekslocatie. De oude woongrond komt voor op crevasse-afzettingen ten westen van de onderzoekslocatie. In het verkennend onderzoek zijn alleen in boringen 1 en 2 crevasse-afzettingen waargenomen, waarin geen oude woongrond aanwezig was. Tijdens het veldonderzoek kon geen onderscheid worden gemaakt tussen de oeverafzettingen van de meandergordel van Mars–Oude Rijn en die van de meandergordel van Lienden. Het bodemprofiel kan op het grootste deel van de onderzoekslocatie worden geclassificeerd als poldervaaggronden.Alleen in de boringen met crevasse-afzettingen is een ooivaaggrond gevormd. Het bodemprofiel is op de onderzoekslocatie niet vergraven, met uitzondering van boring 3 (vergraven tot 0,5 m –mv). Hierdoor blijft de hoge trefkans op intacte archeologische sporen bestaan.
Issued: 2009-07-13