In opdracht van BRO heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek met behulp van boringen (karterende fase) uitgevoerd in het plangebied rotonde N625-N626 te Oss. De aanleiding van dit onderzoek is de voorgenomen reconstructie van de kruising N625-N626, waarbij men voornemens is een rotonde aan te leggen.Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied zich binnen de contouren van de Macharen stroomgordel in een geul van een meanderend riviersysteem bevindt. Vanwege de ligging op deze hoog en relatief droog in het landschap gelegen stroomgordel met relatief goed bewerkbare grond (klei op zand) is dit een gunstige plek voor de mens om zich te vestigen en om landbouw te bedrijven. Op basis van de ouderdom van deze stroomgordel kunnen er in principe archeologische resten worden verwacht vanaf de midden-bronstijd. Ouder vondstmateriaal is vermoedelijk als gevolg van de reactivering van de oudere Haren stroomgordel door de Macharen stroomgordel verspoeld of geërodeerd geraakt.Op basis van het aangetroffen vondstmateriaal, de bekende monumententerreinen en eerder uitgevoerd onderzoek worden er op de afzettingen van de Macharen stroomgordel voornamelijk archeologische resten verwacht vanaf de ijzertijd tot en met de vroege middeleeuwen (complextype: nederzetting). Indien het plangebied zich binnen de contouren van een afwateringsgeul bevindt, dan worden alleen archeologische resten 'in situ' verwacht van na het inactief worden van deze stroomgordel, oftewel vanaf de Romeinse tijd.Vanaf de late middeleeuwen werd het plangebied vermoedelijk gevoelig voor overstromingen door de Maas en later door inundatie via de Beerse Overlaat. Hierbij zijn de stroomgordelafzettingen van de Macharen stroomgordel afgedekt door een pakket (kom)klei. Op basis van de omringende onderzoeken en de gemiddelde hoogteligging van het plangebied lijkt de top van de Macharen stroomgordel zich tussen 0,3 en 1,7 m -mv te bevinden. Archeologische resten vanaf de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd worden in het grootste deel van het plangebied vanwege de gevoeligheid voor overstromingen binnen het plangebied niet verwacht. In het (noord)westelijke deel van het plangebied kunnen er resten van een herberg van voor 1830, van het Fort Lithoijen uit de periode 1833-1920 en de voorloper van de John. F. Kennedybaan, de Ossche Weg, verwacht worden.Uit het booronderzoek blijkt dat het plangebied zich vrijwel geheel op afzettingen van de Macharen stroomgordel bevindt, waarbij de top tussen 0,45 en 1,35 m -mv aanwezig is (zie Bijlage 3). Het oostelijke deel van het plangebied bevindt zich op de oeverafzettingen van de Macharen stroomgordel. Ter plekke van het westelijke deel van het plangebied is er een restgeul van de Macharen stroomgordel aangetroffen in de boringen 4, 5 en 26. De afzettingen van de Macharen stroomgordel worden vrijwel overal afgedekt door een komkleipakket van variabele dikte, waarboven zich afzettingen van de Beerse Overlaat bevinden van circa 25/60 cm dikte. In verscheidene boringen zijn humeuze vegetatiehorizonten aangetroffen waaruit blijkt dat de top van de Macharen stroomgordel (vrijwel) niet geërodeerd is en langdurig droog heeft gestaan.Tijdens het booronderzoek zijn in het westelijke deel van het plangebied in de restgeulen in de bovenliggende dijkdoorbraakafzettingen ter plekke van de boringen 4 en 5 fosfaatvlekken aangetroffen, die kunnen duiden op het dumpen van menselijk afval in de oude rivierloop. Ook zijn er in de boringen 2 en 29 fragmenten (oud) baksteen/verbrand leem en een fragment leisteen aangetroffen. Ter plekke van de boringen 1, 2 en 3 bevond zich op circa 45 cm -mv een ondoordringbare laag (bak)steen. Hier bevond zich mogelijk de historische Ossche Weg, een naastgelegen herberg of resten van het Fort Lithoijen (zie Fig. 2.4; 2.5 en Bijlage 6). In de overige boringen zijn geen archeologische indicatoren en/of vondsten aangetroffen. Op basis van het bureauonderzoek en de resultaten van het karterend booronderzoek kan de middelhoge tot hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf het laat-neolithicum voor het oostelijke deel van het plangebied gelegen naar beneden toe worden bijgesteld naar een middelhoge verwachting (complextype: nederzetting) vanaf circa 0,45 cm -mv (Bijlage 5). Deze middelhoge verwachting is voornamelijk gebaseerd op de gunstige landschappelijke ligging op een hoge oeverwal langs een oude rivierloop en het aangetroffen fragment verbrand leem. Voor het westelijke deel kan de middelhoge tot hoge verwachting uit het bureauonderzoek worden bijgesteld naar een hoge specifieke verwachting op het aantreffen van een herberg met erf, resten van de oude doorgaande weg van Lith naar Oss (Osscheweg) en/of resten van het Fort Lithoijen uit de periode 1833-1920 vanaf circa 30 cm -mv (Bijlage 5). Deze resten bevinden zich vermoedelijk op kom- of oeverafzettingen van de Maas, die op hun beurt afzettingen van de Macharen stroomgordel afdekken. Er kan derhalve niet worden uitgesloten dat er onder het jongste archeologische niveau nog een tweede niveau aanwezig is waarin archeologische resten vanaf de middenbronstijd tot en met de ijzertijd aangetroffen kunnen worden. De fosfaatvlekken in de nabijgelegen restgeul duiden op menselijke activiteit in de nabije omgeving van deze voormalige watervoerende geul. Dit niveau bevindt zich op basis van de meest nabije boringen op circa 0,95 m -mv.Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geadviseerd om ter plaatse van de delen van het terrein waarvoor een middelhoge tot hoge archeologische verwachting geldt (0,5 ha; Bijlage 5) geen bodemverstorende activiteiten uit te voeren, zodat de aanwezige archeologische resten in situ behouden kunnen blijven. Indien dit niet mogelijk is, wordt aanbevolen om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren voor de locaties waar bodemverstoringen gepland zijn. Voor het overige deel van de gebieden met een hoge verwachting dient een archeologische dubbelbestemming opgenomen te worden in het bestemmingsplan; bij eventuele toekomstige bodemverstorende activiteiten op deze locaties is archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk.