Het inventariserend onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van het voornemen van de provincie om de Rijksweg 31 te verbreden tot een vierbaanstraject. Hierbij zal de ondergrond tot een maximale diepte van 1,5 m worden verstoord. In opdracht van Rijkswaterstaat heeft Archaeological Research and Consultancy (ARC bv) een bureau- en een archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO) uitgevoerd langs de rijksweg 31 tussen Harlingen en Zurich in de provincie Fryslan.Het veldwerk is in twee fasen uitgevoerd. De eerste fase, een karterend veldonderzoek, heeft plaatsgevonden in maart 2004 en de tweede fase, een waarderend veldonderzoek, vond plaats in juni 2004.Conclusie:Het uitgevoerde booronderzoek langs het wegtrace van de Rijksweg 31 heeft een bodemprofiel opgeleverd, dat de late genese van het Marne estuarium weerspiegelt. Onder de opgebrachte grond van het wegcunet bevinden zich afzettingen van de getijdevlakte en kwelder van het Marne estuarium.In het zuidelijk traject (boorpunten K-1 tot K-36) is de bovenkant van deze kwelderafzettingen verstoord. Hier zijn bruinige licht siltige kleien gevonden, die worden geınterpreteerd als zogenaamde ‘kruinige gronden’. Dit zijn geploegde akkergronden van de hogere kwelderdelen Het is opvallend dat deze gronden in de directe omgeving van het vroegere klooster ‘Vinea Domini’ (Vineastate) liggen. Het is zeer wel mogelijk, dat deze tot het klooster hebben behoord. Er zijn echter geen archeologische resten in aangetroffen en deze vorm van beploeging is tot in de 20e eeuw gebruikt.Het noordelijk traject is archeologisch interessant. Dit deeltraject (boringen K-63 tot K-79) loopt van de Kimswerderlaan tot aan het Hegewiersterfjild. De algemene bodemopbouw is hetzelfde als in het zuidelijk deel. Hier ligt echter de top van de kwelderafzettingen hoger. Als gevolg van de bermsituatie kon hier vanaf boring K-68 geboord worden buiten het wegcunet en de opgebrachte grond. De verwachte aanwijzing voor een dijklichaam langs de Kimswerderlaan bij de aansluiting op de Rijksweg is nog niet gevonden. Ook in de tweede fase van het onderzoek kon het traject langs de Kimswerderlaan nog niet worden onderzocht (zie later onderzoek in ARC-rapport 2004-11b).Het deeltraject langs het Hegewiersterfjild heeft duidelijk aanwijzingen opgeleverd voor een antropogene laag. Hier zijn plagresten en fosfaatrijke lagen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van een terp. De tweede fase boringen K-110 tot K-115 zijn gezet om de begrenzing van dit terplichaam in het onderzoekstraject vast te stellen. Het terplichaam ligt tussen de boringen K-79 en K-114.De vondsten van houtskool en aardewerk zijn in een langer traject gedaan, tussen de boringen K-78 en K-91. De datering van het aardewerk, Nieuwe Tijd, legt geen direct verband met de aanwezigheid van het terplichaam. Het kunnen resten zijn van jongere bewoning van de terp die door verstoring van de terp in een wijder gebied terecht zijn gekomen. Samen met de eerdere meldingen van aardewerkresten van tichels en dergelijke, zouden de resten uit de boringen ook gerelateerd kunnen zijn aan de tichelwerkplaatsen in de directe omgeving van de Bolswardervaart hebben gestaan.De vondst van terpresten in de bocht van de Rijksweg naar Harlingen net ten zuiden van het Hegewiersterfjild geeft aan dat verder onderzoek ter plekke van het grootste belang is. Voor dit deel van het traject wordt dan ook een verder onderzoek in vorm van proefsleuven aanbevolen, vooral in het tracedeel K-79 tot K-85.
Date: 2003