(51037526) Eindrapportage archeologisch vooronderzoek hoek Bilderdijkstraat en Potgieterstraat te Doetinchem

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars (vuursteensites, (Laat) Paleolithicum t/m Midden Neolithicum) en een hoge verwachting voor vindplaatsen van landbouwers (Laat Neolithicum t/m Middeleeuwen. Het plangebied ligt namelijk op een rivierduin en specifiek binnen een gebied van rivierduinruggen/-koppen met een dik plaggendek. Het rivierduinenlandschap is in zijn algemeenheid een gebied waar veel menselijke (bewonings)activiteiten hebben plaatsgevonden. Laatpaleolithische en mesolithische resten zijn tot op heden niet bekend binnen het onderzoeksgebied. De rivierduinen waarop in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd plaggendekken zijn opgeworpen, waren wel beter geschikt voor het ontplooien van bewonings- en agrarische activiteiten. Binnen het onderzoeksgebied hebben de enkele uitgevoerde gravende onderzoeken ook geresulteerd in het aantreffen van archeologische sporen duidend op menselijke bewoningsactiviteiten tijdens de Late Middeleeuwen tot Late Nieuwe tijd en Late Prehistorie, als ook scherfmateriaal uit de IJzertijd-Romeinse tijd, Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze kunnen ook binnen de begrenzing van onderhavig plangebied worden verwacht. Alleen voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag, aangezien uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf de tweede helft van de 18e eeuw tot in de tweede helft van de 20e eeuw onbebouwd is gebleven en er geen aanwijzingen zijn dat er binnen het plangebied een historisch erf aanwezig is geweest. Voor resten en sporen uit de Tweede Wereldoorlog geldt wel een hoge verwachting. Zowel de (geactualiseerde) archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart/archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem als een militaire luchtfoto genomen op 23 maart 1945 geven aan dat binnen de begrenzing van het plangebied van noordwest naar zuidoost een Duitse loopgraaf heeft gelopen.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten zien dat er sprake is van een dik (gemiddeld 50 cm), recent bewerkt plaggendek (daarmee van een hoge enkeerdgrond). Bij een drietal boringen is onder het plaggendek, tussen gemiddeld 50 en 75 cm -mv, nog een intact restant van een verwerings-/verbruinings-Bws-horizont en/of direct de overgangs-BC-horizont van de van nature gevormde vorstvaag-/holtpodzolbodem (bruine bosgrond) aanwezig. Dit intact deel van een oorspronkelijke/van nature gevormde veldpodzolbodem heeft zich gevormd in de top van matig goed gesorteerde rivierduinafzettingen (1C-horizont). Bij de meeste andere boringen lijkt is onder het plaggendek direct sprake van de 1C-horizont (AC-profiel). De van nature gevormde vorstvaag-/holtpodzolbodem lijkt in zijn geheel te zijn opgenomen in het plaggendek (opbrengen plaggenbemesting en navolgend agrarische bewerking/ploegwerkzaamheden), of er heeft enige mate van aftopping heeft plaatsgevonden. Van diepgaande recente verstoringen van enige omvang is echter geen sprake binnen het plangebied.

In de diepere ondergrond bedekt het rivierduinzand (dat doorloopt tot minimaal 95 en maximaal 160 cm -mv) vlechtende rivierterrasafzettingen van waarschijnlijk het Laatpleniglaciale terras (2C-horizont). De overgang is meest herkenbaar bij de boringen gezet in het zuidoostelijke deel van het plangebied, waar nog een tussenliggende en verder vrij dunne (niet meer dan 10 tot 15 cm) Laag van Wijchen voorkomt (sterk siltig, matig fijn zand/bijna sterk zandige leem, ook wel aangeduid als hoogvloedleem).

Een duidelijk afwijkende bodemopbouw is aangetroffen bij een boring gezet in het noordelijke deel van het plangebied, met tot een diepte van 195 cm -mv veelal gevlekt, zwak en deels matig humeus zand. Er kan niet worden vastgesteld of het gaat om een vulling/demping van de Duitse loopgraaf uit de Tweede Wereldoorlog (welke binnen het plangebied verwacht wordt volgens de (geactualiseerde) archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart/archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem als een militaire luchtfoto genomen op 23 maart 1945). Dit zou betekenen dat de noordwest-zuidoost gerichte Duitse loopgraaf aangegeven op de archeologische vindplaatsen- en verwachtings-kaart/archeologische beleidskaart, meer in het noordoostelijke deel van het plangebied heeft gelopen, of dat de zuidwest-noordoost gerichte loopgraaf aangegeven direct ten noorden/noordwesten van het plangebied juist door het meest noordelijke deel van het plangebied heeft gelopen.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het archeologisch potentiële sporenniveau nog (meren)deels intact aanwezig is binnen het plangebied. Archeologische sporen, indien aanwezig, zullen meest zichtbaar zijn onderin de Bws-/BC-horizont, dan wel direct op de overgang naar 1C-horizont, op een diepte van circa 50/60 cm -mv (circa 13 m +NAP). Ook daar waar bewerking dan wel aftopping heeft plaatsgevonden tot aan dan wel net in de oorspronkelijke top van de 1C-horizont, zal het archeologisch potentiële sporenniveau nog deels intact aanwezig zijn (de verwachting is nog matig diep en diep doorlopende archeologische sporen aan te kunnen treffen, indien aanwezig). Het archeologisch potentiële vondstniveau zal al wel zijn verstoord door bewerking van het plaggendek/de humeuze bovengrond tijdens de periode van agrarisch gebruik.

Het plangebied behoudt dan ook zijn hoge verwachting op het voorkomen van nederzettings-sporen uit de perioden Laat Neolithicum t/m Middeleeuwen. De middelhoge verwachting voor restanten van steentijdbewoning (perioden (Laat) Paleolithicum t/m Midden Neolithicum) kan wel worden bijgesteld naar een lage verwachting. Vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars, welke voornamelijk bestaan uit strooiingen van fragmenten vuursteen en (beperkt voorkomen van) ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke bodem, zullen waarschijnlijk al verloren zijn gegaan (geen in situ gelegen strooiing van fragmenten vuursteen). Verder kunnen nog restanten van een Duitse loopgraaf worden aangetroffen (vulling/demping met mogelijk hierin achtergelaten militairia/militaire gebruiksvoorwerpen).

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Sweco de aanbeveling gedaan om binnen het gehele plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Binnen het plangebied is het archeologisch potentiële sporenniveau nog (meren)-deels intact aanwezig. Omdat vooral nog archeologische sporen worden verwacht, is het advies het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Met behulp van dit proefsleuvenonderzoek kunnen ook nog restanten van een Duitse loopgraaf worden aangetroffen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid (gemeente Doetinchem) goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is alleen mogelijk als graafwerkzaamheden/bodemingrepen niet dieper gaan dan 40 cm -mv (vrijstellingsdiepte conform het vigerend beleid). In de praktijk zal dit lastig uitvoerbaar zijn, gezien de wens te gaan bouwen op de vaste ondergrond (‘bouwen op geel zand’, waarbij funderingen zullen worden aangelegd, met daarnaast de aanleg van diverse nutsvoorzieningen).

Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Doetinchem wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Doetinchem op de hoogte te stellen.

De Omgevingswet regelt dat in het geval van archeologische toevalsvondsten van algemeen belang, niet alleen de minister van OCW, maar ook de gemeente bevoegd is om bodemverstorende werkzaamheden stil te leggen.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/9J3JTJ
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/9J3JTJ
Provenance
Creator E.M. ten Broeke
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, E.M. ten; Sweco
Publication Year 2026
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, E.M. ten (Sweco)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 11386812
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Arnhem