Gespecificeerde archeologische verwachting
Vanuit het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische waarden uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m de Middeleeuwen. Verzamelde landschappelijke gegevens geven aan dat het plangebied op de zuidelijke helling ligt van het stuw-wallencomplex van de Utrechtse Heuvelrug/de stuwwal van Rhenen. Voor Jagers-Verzamelaars (Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) had het plangebied een gunstige ligging als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen), zeker wanneer nabijgelegen droogdalen gedurende deze perioden nog periodiek watervoerend waren en daarmee een beekdal vormde. Ook voor Landbouwers vormde het plangebied in principe een voldoende geschikte locaties voor permanente bewoning. De mineralogisch rijke bruine zanden en moderpodzolbodem, welke in het plangebied van nature worden verwacht in de top van de gestuwde afzettingen, hebben een hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid en daardoor een aantrekkelijke vestigingslocaties gevormd voor Landbouwers. Uit het grote aantal vondstmeldingen in de directe omgeving blijkt ook dat in het gebied menselijke (bewonings)activiteiten hebben plaatsgevonden gedurende in de Late-Prehistorie (Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd) en de Late-Middeleeuwen. Zelfs aangrenzend ten oosten van het plangebied zijn tijdens de bouw van het bestaande gemeentehuis in 2001 enkele aardewerkfragmenten uit de Late-Middeleeuwen aangetroffen. Het plangebied heeft binnen een oud bouwlandcomplex gelegen ten noorden van de historische stadskern van Rhenen en was bekend stond onder de naam Bruinen Ing. Historisch kaartmateriaal dat teruggaat tot in de 16e eeuw, laat zien dat het plangebied een langdurig gebruik heeft gekend als akkerland. De kans op het aantreffen van restanten van historische bouwwerken/bebouwing uit de Nieuwe tijd (bijvoorbeeld in de vorm van muurresten/fundering) binnen de begrenzing van het plangebied wordt daarom kleiner/minder waarschijnlijk geacht. Daarnaast geeft het geraadpleegde topografisch kaartmateriaal als het gedetailleerde beeld van het AHN aan dat er reeds binnen terreindelen afgravingen/nivellering/egalisatiewerkzaamheden hebben plaatsgevonden, waarschijnlijk ten behoeve de bouw van het bestaande sportcentrum en inrichting van de omliggende terreindelen.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) laten zien dat alleen in het noordelijke deel (noordelijk gelegen terreindelen rondom het bestaande sportcentrum) en het zuidoostelijke deel van het plangebied recente (diepgaande) ontgravingen hebben plaatsgevonden. Hier komen alleen cunet-/bouwzand en recent geroerde lagen grond voor, gevolgd door een scherpe overgang direct naar de C-horizont. Voor het zuidwestelijke tot westelijke, centraal-zuidelijke en oostelijke tot noordelijke deel van het plangebied is dit echter niet het geval. Onder een pakket recente bewerkte/verstoorde dan wel deel opgebrachte lagen grond en in het westelijke tot zuidwestelijke deel (ter plaatse van een groot deel van het parkeerterrein van sportcentrum) onder een dikke laag cunet-/stabilisatiezand is veelal nog een ongestoord/intact restant van een plaggendek (Aa en/of een deel van de van nature gevormde holtpodzolbodem aanwezig, vanaf een deel van de verbruinings-Bws-horizont en navolgend de overgangs-BC-horizont (zie figuur 16). Het duidt erop dat dit deel van het planbied, voordat het tot de bebouwde kom van Rhenen ging behoren, een dalvormige laagte/apex van een droogdal vormde, welke verder doorloopt in zuidwestelijke richting, waar een gedeelte van de Groeneweg en de Willem van Nas-straat lopen/bij elkaar komen. Bodemverstorende ingrepen hebben in het zuidwestelijke tot westelijke, centraal-zuidelijke en oostelijke tot noordelijke deel van het plangebied in mindere mate plaatsgevonden en juist vooral ophoging van de waarschijnlijk voorheen voorkomende dalvormige laagte.
Bij een boring in het oostelijke deel van het plangebied is in de onderzijde van het intacte deel van het plaggendek zelfs een fragment met fijn zand gemagerd, handgevormd Zuid-Nederlands aardewerk aangetroffen, daterend uit de periode 875 tot 1050 na Chr. (9e tot 11e eeuw, einde Vroege-Middeleeuwen/begin Late-Middeleeuwen). Ter plaatse van het direct ten oosten gelegen gemeentehuis is tijdens de bouw in 2001 ook al laatmiddeleeuws aardewerk aangetroffen.
Voor het zuidwestelijke tot westelijke, centraal-zuidelijke en oostelijke tot noordelijke deel plangebied geldt dan ook dat het archeologisch potentiële sporenniveau (merendeels) intact aanwezig is. Archeologische sporen, indien aanwezig, kunnen deels intact direct onder het plaggendek in de Bws-horizont worden aangetroffen en meest zichtbaar zijn in de BC-horizont en de overgang naar de C-horizont. Het archeologisch potentiële vondstniveau zal waarschijnlijk al wel reeds verstoord zijn ten gevolge van het agrarisch gebruik en het opbrengen van het plaggendek, waardoor vondsten hierin zullen zijn opgenomen. In situ gelegen vondsten kunnen nog wel worden aangetroffen in de vullingen van eventueel aanwezige archeologische sporen. Voor het noordelijke deel en het zuidoostelijke deel van het plangebied, zijnde ook de terreindelen waar sprake is van steilranden veroorzaakt door de huidige inrichting van het terrein, is de verwachting dat het archeologisch potentiële sporen- als vondstniveau merendeels, zo niet volledig is verstoord door moderne bodemingrepen.
Conclusie.
Geconcludeerd wordt dat op basis van de resultaten van het booronderzoek de hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten en/of sporen uit de perioden Laat-)Paleolithicum t/m de Middeleeuwen gehandhaafd blijft voor het zuidwestelijke tot westelijke, centraal-zuidelijke en oostelijke tot noordelijke deel plangebied. Voor het noordelijke deel en het zuidoostelijke deel van het plangebied kan de verwachting voor deze perioden bijgesteld worden naar een lage verwachting.
Advies.
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO-O) wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het zuidwestelijke tot westelijke, centraal-zuidelijke en oostelijke tot noordelijke deel plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Hier is het archeologisch potentiële sporenniveau nog merendeels intact aanwezig zijn en behoudt dan ook zijn hoge verwachting op nog in situ aanwezige archeologische (bewonings)resten en -sporen van jagers-verzamelaars als van landbouwers. Geadviseerd wordt een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek. Het doel hiervan dient te zijn de intactheid, spreiding, diepte en mate van verstoring van archeologisch kansrijke niveaus in kaart te brengen en op basis daarvan inzichtelijk te maken wat de consequenties zijn van de voorgenomen plannen op mogelijke archeologische resten. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Voor het noordelijke deel en het zuidoostelijke deel van het plangebied wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Binnen deze delen van het plangebied is sprake van een duidelijk verstoorde bodemopbouw en het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau is merendeels, zo niet geheel verstoord/aangetast.
Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. Ten aanzien van de vrij te geven delen van het plangebied kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten. Mochten hier tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).