Het onderzoek heeft sporen en vondsten opgeleverd uit zowel de Middeleeuwen als de Nieuwe Tijd (afb. 2). De resultaten worden hieronder samengevat. De waarnemingen die konden worden gedaan op het terrein van Eenrumerstreek nr. 8 waren minimaal, daar hier alleen vier gaten werden gegraven ten behoeve van het plaatsen van de gestuurde boring. Het eerste gat bevond zich ten westen van het terrein. De bodem was hier intact, maar bevatte geen vondsten en, op de eerste 40 cm bouwvoor na, geen antropogene lagen. De overige drie gaten bevonden zich op het terrein, namelijk twee haaks op elkaar in het gazon ten zuidoosten van de schuur, en een direct tegen het midden van de oostgevel van de schuur. Deze laatste is gegraven in de insteek van de huidige fundatie en leverde geen intact bodemarchief op, wel restanten van het uit bakstenen gemetselde fundament van de voorgaande schuur. De overige twee gaten bevonden zich haaks op elkaar, waarvan een precies over een oude olietank heen bleek te liggen.Onder de puinrijke bouwvoor bevond zich nog een gedeeltelijk intact antropogeen pakket van circa 45 cm dik, tot 75 cm –mv. Op wat puinspikkels na werden hierin geen vondsten gedaan. De boorgaten zijn tot net in de natuurlijke ondergrond gegraven.De begeleiding van de kabelsleuf zelf vondt plaats vanaf nr. 8 naar nr. 5, en heeft in essentie geen archeologische resten opgeleverd. Het trace langs de voormalige middeleeuwse dijk bestond voornamelijk uit opgebrachte grond, mogelijk opgebracht vanwege het hier aangelegde fietspad (afb. 3). Het AMK-terrein 5380 was in het oostelijk van dit trace gelegen perceel nog vaag zichtbaar als een lichte verhoging. Bij een oppervlaktekartering op dit terrein werden laatmiddeleeuwse kogelpot- en steengoedschreven gevonden. Bij de metaaldetectie van het trace en omringende percelen zijn enkele metaalvondsten uit de Nieuwe Tijd gedaan, waaronder twee gespen en een modern zilveren armbandje. Deze vondsten zijn niet nader bestudeerd vanwege de minimale archeologische relevantie. Op de noordoosthoek van het AMK-terrein 6260 is een kleine opgraving verricht. Het oppervlak bedroeg 3×3 m, de maximale ontgravingsdiepte was 1 m –mv, de gemiddelde vlakhoogte ligt rond 0,04m−NAP. Zowel het vlak als het noorden westprofiel zijn gedocumenteerd. Het vlak liet twee duidelijke sporen zien, een oostwest georienteerde brede sloot en een haaks hierop lopende kleinere sloot. De kleine sloot was circa 80 cm breed. De breedte van de grotere sloot kon niet worden vastgesteld, daar deze zich buiten de opgraving uitstrekte. Op basis van het profiel, waarin is te zien dat de vullingslagen iets beginnen af te vlakken bij de zuidrand van de put, is te stellen dat niet meer dan de helft van de sloot is opgegraven, en dat deze minimaal 2,5 m breed moet zijn geweest. Deze sloot oversnijdt de kleine sloot, en is derhalve jonger. Op basis van het vondstmateriaal is een nauwkeurige datering niet mogelijk, uit de vulling van beide slootsporen kwam laatmiddeleeuws kogelpotmateriaal.Gezien de breedte en de orientatie van de grote sloot is het mogelijk dat het hier gaat om de voorloper van de huidige gracht om het terrein. Een andere mogelijkheid is dat het terrein met een dubbele gracht en singel omgeven is geweest. De kleine sloot is waarschijnlijk een restant van de landinrichting bij de borg voordat het terrein tot hier is uitgebreid. De laag die deze sloten allebei afdekte bevatte aardewerk uit de Nieuwe Tijd. In de bouwvoor is ook nog iets aan kogelpotmateriaal aangetroffen.
Date Submitted: 2008-12-17
Issued: 15 augustus 2008