Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Molenweg nabij 37 te Monster, gemeente Westland (ZH) Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Molenweg nabij 37 te Monster, gemeente Westland (ZH)

DOI

Laagland Archeologie heeft in september 2022 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Molenweg nabij 37 te Monster. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de geplande bouw van nieuwe woningen.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied op een vlakte van getijdenafzettingen, ongeveer daar waar deze overgaat in een ingesloten strandvlakte, al dan niet bedekt met kust- of stuifzandduinen. Het bodemtype binnen het plangebied bestaat uit het kalkhoudende enkeerdgronden bestaande uit matig fijn zand (EZ50A). Deze gronden komen voor op de geestgronden, die de overgang vormen tussen het duingebied enerzijds en het poldergebied anderzijds. Het plangebied ligt op basis van de archeologische beleidskaart binnen een buffer waarbinnen een Romeinse weg wordt vermoed.Het pleistocene oppervlak ligt op een dusdanige diepte dat de archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum tot Vroeg-Neolithicum weinig relevant is. De archeologische verwachting is hoog voor resten vanaf het Midden-Neolithicum tot Vroege IJzertijd, samenhangend met de vorming van strandwallen met duinen. Vanaf de Midden-IJzertijd is de archeologische verwachting middelhoog omdat het Gantelgetijdensysteem zijn invloed liet gelden. Op en tegen de strandwallen was toen nog bewoning mogelijk. De archeologische verwachting is hoog voor de periode Late IJzertijd-Romeinse tijd vanwege de verbeterde bewoningscondities. De archeologische verwachting is laag voor de Vroege Middeleeuwen. Vanaf de tijd van de ontginningen in de Volle Middeleeuwen tot Late Middeleeuwen geldt een hoge archeologische verwachting. De Molenweg heette de Zwartendijk. Met de aanleg van de Zwartendijk kon het bij de bij een zee-inbraak verloren gegane gebied weer ingedijkt worden in de 12e eeuw door het afsluiten van de Gantel. Vanwege het ontbreken van bebouwing op het historisch kaartmateriaal vanaf 1712 tot de subrecente periode, is de archeologische verwachting middelhoog voor de Nieuwe tijd. Vanwege de ligging binnen de Atlantikwall, in de nabijheid van een Widerstandsnest is de archeologische verwachting hoog voor de Tweede Wereldoorlog. Omdat de afstand tot de nieuw te realiseren bebouwing en het Widerstandsnest tenminste 50 m is, is de archeologische verwachting van archeologische resten van de Tweede Wereldoorlog niet hoog, maar middelhoog waar de voornaamste bodemingrepen zijn voorzien.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.De Laag van Rijswijk en vanwege de overwegend zeer geringe dikte van de Laag van Gantel bevinden deze zich beide op ongeveer 60 à 100 cm -mv (0,21 à 0,77 m -NAP). Verder bevindt de Laag van Voorburg en in één enkel geval het Hollandveen Laagpakket zich op 40 à 50 cm (0,01 à 0,34 m -NAP). Het onderste niveau van 0,21 à 0,77 m -NAP representeert het niveau waar mogelijk archeologische resten vanaf het Midden-/Laat-Neolithicum tot Romeinse tijd verwacht kunnen worden, terwijl op het niveau van 0,01 à 0,34 m -NAP resten vanaf de Volle Middeleeuwen tot Nieuwe tijd verwacht kunnen worden. Omdat in twee van de boringen mogelijk een oude cultuurlaag in de strandafzettingen van de Laag van Rijswijk is aangetroffen geldt een hoge archeologische verwachting voor het Neolithicum tot Romeinse tijd. Verder is er een onverstoorde bodemopbouw aangetroffen. Omdat een Inventariserend Veldonderzoek – verkennende fase niet bedoeld is om archeologische vindplaatsen op te sporen kan op basis van de voorliggende onderzoeksresultaten de archeologische verwachting voor de periode Volle Middeleeuwen tot Nieuwe tijd niet naar beneden worden bijgesteld. Dat geldt ook voor de archeologische verwachting voor archeologische resten uit de Tweede Wereldoorlog.Uitgaande van een marge van 20 cm vanaf de top van het ondiepste potentiële archeologische niveau wordt geadviseerd van een archeologisch vervolgonderzoek af te zien als bodemingrepen beperkt blijven tot 0,19 m +NAP (maaiveldhoogte 0,26 à 0,49 m +NAP). Algemeen is de consensus dat bij de toepassing van een fundering op palen in een archeologievriendelijk bouwplan slechts een geringe schade aan het bodemarchief toebrengen. Voor een archeologievriendelijk bouwplan dient aan de volgende voorwaarden wordt voldaan, uitgaande van de situatie binnen het plangebied. Een minimalisering van het aantal palen bestaat en maximaal 2% van de oppervlakte van het plangebied bedraagt. Bij het toepassen van een fundering op palen conform een archeologievriendelijk bouwplan hebben deze een relatief kleine impact op het bodemarchief en kan voor het plangebied worden geadviseerd om het vrij te stellen qua aspect funderingspalen. Het plangebied zal vanwege de waterhuishouding worden opgehoogd.Als de bodemingrepen dieper dan het niveau van 0,19 m +NAP zijn, afgezien dan van het toepassen van een archeologievriendelijk bouwplan, wordt op basis van de onderzoeksresultaten nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems). Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Normaliter wordt 8 % van het gebied, waarvoor vervolgonderzoek geadviseerd is en dat daadwerkelijk bebouwd wordt, onderzocht. Op basis daarvan dient ca. 272 m2 onderzocht te worden of 3 proefsleuven van 4 m x 23 m. Hiertoe is een door het bevoegd gezag goed te keuren programma van eisen (PvE) benodigd.Dit advies is overgenomen door de bevoegde overheid, de gemeente Westland. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, Dhr. S. Jongma, Erfgoed Delft en omstreken.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-xev-sfrv
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-xev-sfrv
Provenance
Creator J. Wijnen
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor R.C.B. Steenbak; Laagland Archeologie
Publication Year 2024
Rights DANS Licence; info:eu-repo/semantics/restrictedAccess; https://doi.org/10.17026/fp39-0x58
OpenAccess false
Contact R.C.B. Steenbak (Provincie Noord-Brabant)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/pdf; application/gml+xml; application/zip; text/xml
Size 5462651; 4919; 27074; 68420; 3289; 1190; 1343; 1815; 830; 1597; 5277; 10326; 5981; 1851; 1148; 1678; 1831; 2038; 2143; 2025; 1266; 1624; 2134; 1391; 1984492; 978; 1602; 177302; 1445; 977; 1280; 1604425; 907; 1208; 2963; 980; 38289; 3364; 2124; 2075; 1447; 1813; 1524; 2323; 306615; 49396; 2692; 117156; 307579
Version 1.0
Discipline Humanities