Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (23000.001) Peeskesweg 3a te Beek

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit alle periodes vanaf het Laat-Paleolithicum t/m de Middeleeuwen. Dit op basis van de landschappelijke ligging, binnen het stuwwalrandlandschap van Montferland waar gordeldekzanden zijn gesedimenteerd, in de vorm van gordeldekzandruggen, -glooiingen en welvingen. Door zijn gradiëntsituatie had het plangebied in principe al een gunstige ligging voor jagers-verzamelaars (Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). De gunstige ligging voor landbouwers geldt vooral vanwege het voorkomen van voldoende areaal aan goed ontwaterde en tevens vruchtbare gronden, omdat er van nature gevormde moderpodzolgronden (holtpodzolgronden, wordt ook wel aangeduid als een bruine bosgronden) worden verwacht. Ook vanaf de Middeleeuwen behield het plangebied zijn gunstige ligging als bewoningslocatie, echter vanaf deze tijd concentreert bewoning zich meer in dorpen en bewoningsclusters. De hoge verwachting wordt tevens ondersteund door de resultaten van eerder uitgevoerd gravend onderzoek circa 350 meter ten zuiden van het plangebied bevestigd dit beeld, waarbij onder andere restanten van een grafveld uit de Late-Bronstijd en/of de Vroege-IJzertijd en een tweetal boerderijplattegronden met bijbehorende randstructuren en karrensporen uit de Middeleeuwen (Karolingische periode en Volle-Middeleeuwen) zijn aangetroffen. Alleen voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag. Op basis van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal zijn er geen aanwijzingen dat het plangebied deel heeft uitgemaakt van een historisch erf.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) laten zien dat er binnen het plangebied recente/moderne bodemverstorende ingrepen vrij beperkt zijn gebleven en er sprake is van een intacte bodemopbouw. Er is een plaggendek aanwezig van voldoende dikte (≥ 50 cm) om te spreken van een hoge bruine enkeerdgrond. Evenzo belangrijk is dat tussen gemiddeld 50 en 100 cm -mv sprake is van een intact restant van de van nature gevormde holtpodzolbodem/bruine bosgrond, in de vorm van een restant van de verwerings-/verbruinings-Bws-horizont en de overgangs-BC-horizont. Het archeologisch potentiële sporenniveau is binnen het plangebied nog intact aanwezig. Archeologische sporen, indien aanwezig kunnen direct onder het plaggendek worden aangetroffen en bewaard zijn gebleven in het resterende deel van de van nature gevormde holtpodzolbodem/bruine bosgrond. Archeologische sporen zullen meest zichtbaar zijn in de BC-horizont en op de overgang naar de C-horizont, op een diepte tussen circa 60 en 100 cm -mv.   In alle gezette boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen. Het gaat vooral om gefragmenteerde en sterk aangetaste fragmenten Kogelpotaardewerk en slakmateriaal, wat in deze fase van het onderzoek niet nader gedateerd kan worden dan 8e tot 13e eeuw. Verder zijn nog enkele aangetaste wandfragmenten roodbakkend aardewerk en fragmenten klappersteen aangetroffen. Het vondstmateriaal is aangetroffen in zowel het plaggendek als het bovenste deel van de onderliggende oorspronkelijke bodemopbouw (Bws-horizont). Het is waarschijnlijk dat het vondstmateriaal in het plaggendek terecht zijn gekomen door omspitting van de humeuze toplaag van de oorspronkelijke bodembouw (holtpodzolgrond) en niet van elders zijn aangevoerd (geen bemestingsresten). De enkele fragmenten in het bovenste deel van de onderliggende oorspronkelijke bodemopbouw kan door bioturbatie zijn verplaatst (de verwachting is veel mollengangen te zullen aantreffen, op basis van dat de overgangs-BC-horizont sterk gevlekt oogt).

Het vondstmateriaal kan duiden op laatmiddeleeuwse menselijke bewoningsactiviteiten, welke binnen de begrenzing dan wel in de directe omgeving van het plangebied hebben plaatsgevonden. Duidelijkheid hierover dient te worden bepaald middels proefsleuvenonderzoek. Circa 120 meter ten noordwesten van het plangebied, aan de Peeskesweg 1, is vondstmateriaal aangetroffen met een vergelijkbare datering en is wellicht te relateren aan eenzelfde bewoningslocatie. Omdat ijzerslak is aangetroffen in combinatie met aardewerk, dient rekening te worden gehouden met een middeleeuwse productieplaats van ijzer of ijzerverwerking.

Conclusie Op basis van de geleverde onderzoeksinspanning, de daarbij waargenomen intacte bodemopbouw binnen het plangebied en de aangetroffen archeologisch relevante indicatoren, wordt geconcludeerd dat de kans reëel blijft voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats binnen het plangebied. Archeologische bewoningssporen worden verwacht en direct onder het plaggendek, op een diepte vanaf gemiddeld 50 cm -mv. Door de voorgenomen ingreep (nieuwbouw van een vrijstaand woonhuis) zal een mogelijk aanwezige archeologische vindplaats dan ook worden verstoord.

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Behoud van de mogelijk aanwezige archeologische vindplaats zal niet mogelijk zijn bij een niet aangepaste uitvoering van de huidige plannen. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), met de proefsleuf/proefsleuven gericht op de nieuwbouwlocatie.

Voor het proefsleuvenonderzoek (IVO-P) dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE dient te worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Montferland).

Behoud in situ van een mogelijk aanwezige archeologische vindplaats is alleen maar mogelijk als bodemingrepen niet dieper gaan dan circa 25 cm minus huidig maaiveld. Er dient een dikte van circa 20/30 cm van het plaggendek behouden te blijven als bufferzone en conserveringslaag van het onderliggende potentiële archeologisch sporenniveau, dat direct onder het plaggendek nog merendeels intact wordt verwacht. Door de initiatiefnemer dient bepaald te worden of het economisch rendabel is om het inrichtingsplan zo aan te passen dat toekomstige graafwerkzaamheden voor de nieuwbouw van de woningen niet dieper gaan dan 25 cm minus huidig maaiveld. Dit geldt dan ook voor de aanleg van kabels en leidingen.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/N8D2OX
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/N8D2OX
Provenance
Creator Broeke, E.M. ten
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, E.M. ten; Econsultancy
Publication Year 2024
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, E.M. ten (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 8865573
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem