Er bevinden zich ter plaatse van de onderzoekslocatie geen archeologische waarden. De houtskoolvoorkomens op de onderzoekslocatie zijn door middel van een extensief booronderzoek ingeperkt. De spreiding van het houtskool doet vermoeden dat er sprake is van een puntbron, waarvan de kern waarschijnlijk is gelegen tussen boringen 4, 6 en 7. Boven de houtskoolhoudende laag is een sterk puinhoudende laag aangetroffen. In de houtskoolhoudende boringen zijn geen andere archeologische indicatoren aangetroffen, echter wel recent puin en stroomdraad. Hierdoor is het vrijwel uitgesloten dat het houtskool in een archeologische context moet worden geplaatst.Een mogelijke verklaring ligt in het subrecente gebruik van de onderzoekslocatie. Bekend is dat de onderzoekslocatie in tot circa 1990 in gebruik is geweest als boomgaard. Mogelijk zijn de gerooide bomen, of in ieder geval afvalhout dat bij het rooien van deze bomen vrij kwam, ter plaatse verbrand en is de grond daarna omgeploegd. Dit verklaart dan ook de aanwezigheid van ‘huttenleem’ oftewel verbrande klei. De puinhoudende laag is daarna opgebracht; mogelijk is dit grond en bouwafval (boring 10) dat bij de realisatie van het reeds bebouwde deel van ’t Voorburg is vrijgekomen. Dat er grond is opgebracht, blijkt uit het verschil in maaiveldhoogte met de boomgaard ten noorden van de onderzoekslocatie.
Date: 2005