Vlootbeek Linnerweerd

DOI

In opdracht van Royal Haskoning heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in juni 2008 een archeologische begeleiding uitgevoerd in verband met de herinrichting van de Vlootbeek (figuur 1). Het project Vlootbeek kadert in de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Het project beoogt de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater van het stroomgebied van de Maas te verbeteren door migratiebarrières voor vissen in beekmondingen langs de Maas te verwijderen. In totaal worden in de nabije toekomst 64 beekmondingen heringericht. De werkzaamheden bestonden uit het verleggen van het benedenstroomse deel van de beek naar het historische tracé waarbij de huidige loop grotendeels gedempt is. In de monding met de Maas is een vistrap aangelegd. Het archeologisch onderzoek diende te worden uitgevoerd omdat de geplande graafwerkzaamheden zouden kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische historische en paleo-botanische resten. Het onderzoek is gebaseerd op een selectiebesluit d.d. 10 augustus 2005 van de provincie Limburg waarbij is ingestemd met het advies uit het bureauonderzoek om de graafwerkzaamheden archeologisch te begeleiden. 2 Methoden Voor het onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld door drs. H. Stoepker (Archeocoach/Archeologisch advies en kwaliteitsmanagement; Stoepker 2007). Het PvE is goedgekeurd door de Provincie Limburg. In het PVE is een aantal onderzoeksvragen opgenomen die tijdens het archeologisch onderzoek beantwoord dienen te worden: 1. Zijn er deposities dumps brugen oeverconstructies of andere vondsten die kenmerkend zijn voor een beekdal? Zo ja: wat is daarvan de aard en ouderdom en uit welke archeologische en aardkundige context komen ze? Staan ze in verband met de bewoning die in ieder geval in de Nieuwe tijd in dit gebied heeft plaatsgevonden? 2. Volgens Verhart en Van Wijk (2005) staat het grafveld uit de Romeinse tijd dat in ARCHIS is geregistreerd onder de nummers 121207 en 33290 verkeerd op de kaart. Valt deze locatie binnen het reëel te ontgraven gebied en zo ja kan geconstateerd worden dat Verhart en Van Wijk (on)gelijk hebben of maken verstoringen een conclusie in welke zin dan ook onmogelijk? 3. Wat is de ouderdom en genese van de Maasmeander waarin de 'nieuwe' Vlootbeek wordt aangelegd? Tot wanneer is de meander actief geweest? 4. Welke conclusies zijn er aan de hand van archeologisch fysisch-geografisch en eventueel paleo-ecologisch onderzoek te trekken over de bewoningsen gebruikmogelijkheden van de zone langs en rond de meander in diachroon opzicht? De praktische voorwaarden waaronder de archeologische begeleiding is uitgevoerd. staan beschreven in het Plan van Aanpak (PvA; Janssens 2008). Tijdens de archeologisch begeleiding zijn in de voormalige beekbedding van de Vlootbeek vondsten gedaan uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Om het karakter van de vindplaats te kunnen achterhalen is een beperkt bureauonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het bureauonderzoek worden gegeven in de vorm van de antwoorden op de onderzoeksvragen (hoofdstuk 3). 3 Resultaten De resultaten van het onderzoek worden in dit hoofdstuk gegeven in de vorm van de antwoorden op de onderzoeksvragen (zie hoofdstuk 2). 1. Zijn er deposities dumps brugen oeverconstructies of andere vondsten die kenmerkend zijn voor een beekdal? Zo ja wat is daarvan de aard en ouderdom en uit welke archeologische en aardkundige context komen ze? Staan ze in verband met de bewoning die er in ieder geval in de Nieuwe tijd in dit gebied is geweest? Tijdens het uitgraven van de voormalige bedding is over een afstand van meer dan 50 m in het meest zuidelijke deel van de voormalige beekbedding van de Vlootbeek een enorme hoeveelheid puin uitgegraven (figuren 2 3 en 7; ARCHIS-vondsmeldingsnummer 408454). Onder de puinlaag op de bodem van de voormalige bedding van de Vlootbeek is een koperen bakje en een mogelijk fragment van een kandelaar aangetroffen (figuren 4 en 5). Ten noorden van de puinconcentratie was de bedding gevuld met verbrande leem gesinterde baksteenfragmenten en huishoudelijk afval (figuur 6). Voor de ligging van de vindplaatsen wordt verwezen naar figuur 7 (ARCHIS-vondstmeldingsnummer 408455). Bouwpuin Het vondstspectrum van het voormalige bouwmateriaal bestaat uit grote blokken natuursteen tufsteen mergel bakstenen leien een fragment van een Romeinse vloerverwarmingstegel (een zgn. hypocausttegel) mortel stukwerk loden strips en gesmede ijzeren spijkers). Op 2 natuurstenen is een lijstversiering aangebracht. Tussen het puin zijn enkele menselijke beenderen aangetroffen. Voor afbeeldingen van de vondsten wordt verwezen naar de figuren 8 t/m 15. Gezien de zeer natte context waarin het puin en overige vondsten zijn aangetroffen is het zeer aannemelijk dat het gebouw waarvan het puin afkomstig is elders gezocht moet worden. Het opmerkelijke vondstspectrum verwijst naar een bijzonder gebouw namelijk een laat-middeleeuwse kerk die (deels) was opgetrokken uit natuursteenblokken tufsteen baksteen (zgn. kloostermoppen) en Romeinse bouwfragmenten. De loden strippen vormden het skelet van de glas-in-lood ramen. De 2 natuurstenen waarop een lijstversiering is aangebracht vormden mogelijk de voet van een sokkel of zijn onderdeel van een kapiteel. Het dak was bedekt met leien. De interpretatie van het bouwmateriaal als resten van een kerk wordt onderstreept door de menselijke skeletresten die tussen het puin zijn aangetroffen. Het botmateriaal wijst namelijk in de richting van begravingen in de kerk hetgeen tot diep in de 18e eeuw gebruikelijk was. De grote natuurstenen werden waarschijnlijk niet alleen ‘gerooid’ in het maasdal maar ook in een nabij gelegen villacomplex uit de Romeinse tijd. Het voormalige Het meest bruikbare bouwmateriaal werd uitgebroken en hergebruikt voor de bouw van een kerk. Ook het fragment van de hypocausttegel die in het vondstspectrum vertegenwoordigd is behoort tot het hergebruikte bouwmateriaal. Het overige materiaal werd waarschijnlijk speciaal voor de kerk vervaardigd. De tufsteenblokken zijn afkomstig uit een groeve in het Duitse Eifel-gebied. Mergelsteen werd onder andere gewonnen in Zuid Limburg. Voor de dakbedekking werd leisteen uit de Belgische Ardennen gebruikt. Mogelijk zijn de geïmporteerde bouwmaterialen per schip over de Maas aangevoerd. De zogenaamde kloostermoppen en tegels zijn hoogstwaarschijnlijk van lokaal fabrikaat en in een steenoven (een zgn. veldbrandoven) gebakken. Een beperkt bureauonderzoek bevestigd dat het puin in verband gebracht moet worden met een kerkgebouw namelijk een voorganger van de St. Martinuskerk van Linne. De oudste vermelding van de St. Martinuskerk dateert uit de 11e eeuw. Waarschijnlijk kent de kerk een hogere ouderdom (Richter 1997). De eerste kerk heeft waarschijnlijk niet veel voorgesteld. Het zal een rechthoekig eenvoudig houten kerkje zijn geweest. In de loop van de 11e eeuw werd het houten kerkje vervangen door een stenen gebouw dat in Romaanse stijl werd opgetrokken. Het stenen Godsgebouw was klein en had een gering aantal vensters. De vensters kenden voor de Romaanse bouwstijl typische rondboogconstructie. De kerk bleef min of meer in deze vorm voortbestaan tot 1789 (Richter 1997). Onder het pastoraat van Henricus Franciscus van Ulfft onderging de oude kerk een ‘grondige’ wijziging. Van het oude gebouw bleef alleen het skelet (de muren) gehandhaafd. Niet alleen werd het aantal ramen uitgebreid maar ook de rondboogvensters werden tijdens de ‘restauratie’ vervangen door rechthoekige vensters. De gewelfconstructies zijn vrijwel geheel vernieuwd. Als gevolg van de ‘restauratie’ werden de Romaanse bouwkenmerken gemaskeerd. Dit gebouw heeft van 1790 tot 1897 in Linne gestaan. Wel heeft de kerk in deze periode kleinschalige verbouwingen ondergaan. In 1895 werd door het kerkbestuur een subsidieverzoek aan het gemeentebestuur ingediend ‘voor het vergroten en verbouwen der thans bestaande kerk’ (Richter 1997). De kerk bood niet voldoende ruimte aan de bijna 1000 communicanten en zodoende was een groter kerkgebouw noodzakelijk geworden. Het kerkbestuur heeft uiteindelijk besloten een nieuwe kerk te laten bouwen. De huidige kerk van Linne werd in 1896 aanbesteed. De architect was Caspar Franssen. Hij was een leerling van dr. Pierre Cuypers. Hij heeft in zijn ontwerp niet gekozen voor de typische neogotische stijl van Cuypers. Hij verliet de neogotiek en richtte zich op de basilica-stijl waarvan de huidige kerk van Linne een goed voorbeeld is (Richter 1991). De bouw was in 1896 voltooid. Bij de afbraak van de voormalige kerk van Linne moet veel puin vrijgekomen zijn. De meest bruikbare stukken zijn hoogstwaarschijnlijk in de fundamenten van de huidige kerk of elders hergebruikt. Het niet bruikbare materiaal (zoals gebroken bakstenen tegels mergelen tufsteenblokken) werden vervolgens samen met onbruikbare natuurstenen gedumpt op een plek waar niemand er last van had (Roymans 2005). Deze plek werd gevonden in de voormalige beekbedding van de Vlootbeek in de Linnerweerd die door omlegging van het beektracé haar functie had verloren. Op grond van studie van historische kaarten moet het nieuwe beektracé aangelegd zijn

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/DANS-Z56-CDS9
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/DANS-Z56-CDS9
Provenance
Creator J.A.M. Roymans
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor m verbruggen; RAAP Archeologisch Adviesbureau
Publication Year 2020
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact m verbruggen (RAAP)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; application/pdf
Size 12449; 12639; 810; 4342998; 3211
Version 1.0
Discipline Humanities