Laagland Archeologie heeft in juni 2021 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Zoetzandselaan (ong.) te Beusichem. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de geplande bouw van nieuwe woningen.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied op de Buren en Ravenswaay stroomgordels en liggen er vindplaatsen rondom het plangebied uit de periode Late IJzertijd tot Late Middeleeuwen. De archeologische verwachting is hoog voor de perioden Late IJzertijd tot Late Middeleeuwen en op basis van het historische kaartmateriaal is de archeologische verwachting middelhoog, omdat vanaf begin 19e eeuw tot begin jaren ’60 geen bebouwing aanwezig was. De archeologische verwachting voor perioden vroeger dan Late IJzertijd is laag omdat de rivieren van de aanwezige stroomgordels zich hebben ingesneden en vroeger aanwezige afzettingen tot meerdere meters diepte hebben geërodeerd.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het noordelijk deel plangebied, afgezien van het deel in het midden tussen de huizen, archeologische sporen bevat en is de specifieke archeologische verwachting laag (zie Bijlage 12). Om die reden wordt geadviseerd om het noordwestelijk en noordoostelijk deel van het plangebied vrij te stellen van archeologisch vervolgonderzoek. Het overgrote zuidelijke deel van het plangebied kunnen eventuele archeologische resten bewaard zijn gebleven, op basis van een onverstoorde bodemopbouw.Het is gebruikelijk dat een bufferzone van minimaal 20 cm tussen diepte verstoring en top archeologische niveau wordt aangehouden. Om die reden wordt geadviseerd van een archeologisch vervolgonderzoek af te zien als bodemingrepen op het zuidelijk deel beperkt blijven tot 4,07 m +NAP (35 cm à 60 diepte t.o.v. huidig maaiveld).Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems) als er bodemingrepen dieper dan deze geadviseerde niveaus worden uitgevoerd.Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een karterend onderzoek conform standaardmethode C3 van de Leidraad inventariserend veldonderzoek Deel: Karterend Booronderzoek. In de tussentijd is het plangebied ten zuiden van de Zoetzandselaan 10 al onderzocht. De vraag is nu of de archeologisch adviseur het noordelijk deel, in het midden tussen de huizen nog onderzocht wil hebben met een karterend booronderzoek.De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Buren, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente, de heer J. van Dam (Omgevingsdienst Rivierengebied).Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (033 421 74 56) of via de website: www.cultureelerfgoed.nl/contact.