Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Middelseepaad te Scharnegoutum, gemeente Súdwest-Fryslân (FR) Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Middelseepaad te Scharnegoutum, gemeente Súdwest-Fryslân (FR)

DOI

Laagland Archeologie heeft in augustus een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Middelseepaad te Scharnegoutum. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de geplande bouw van nieuwe woningen.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003. Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Het bureauonderzoek is in eerste instantie alleen uitgevoerd voor de locatie van de toekomstige bebouwing. Op advies van het bevoegd gezag is bij het booronderzoek het te onderzoeken gebied uitgebreid om het omliggende groen toe te voegen.Het plangebied ligt in het Fries-Gronings kleigebied. Uit geraadpleegde paleogeografische kaarten blijkt dat tussen 5500 voor Chr. en 3850 voor Chr. het plangebied bedekt raakte met veen. Tussen 3850 voor Chr. en 2750 voor Chr. trekt het veen zich deels terug uit het plangebied om tussen 2750 en 1500 voor Chr. weer terug te keren. Tussen 500 voor Chr. en 100 na Chr. verandert het plangebied en haar omgeving in een kwelderlandschap. Rond 1200 wordt het gebied ingedijkt en eindigt sedimentatie.Op de geomorfologische kaart ligt het oostelijke deel van het plangebied op een Getij-oeverwal. De westelijke helft ligt op een vlakte van getij-afzettingen. Bodemkundig (bijlage 6) ligt het gebied in een zone met kalkrijke poldervaaggronden. In de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit de Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd bekend. Op de kaart van Schotanus uit 1718 is het plangebied en haar naaste omgeving nog grotendeels onbebouwd. In historische tijden (vanaf circa 1832) werd het terrein omschreven als weideland. Op basis van geomorfologische kenmerken geldt een middelhoge verwachting voor de periode Paleolithicum – Vroeg Neolithicum. Voor de periode Laat Neolithicum – IJzertijd geldt daarom een lage verwachting: vanaf het moment dat veengroei optreedt, wordt het terrein nagenoeg onbewoonbaar. Voor wat betreft de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen kan een hoge verwachting worden aangehouden indien in de top van het veen een zogenaamd Tinga klei- en veenlaagje aanwezig is. Deze laagjes worden in verband gebracht met veenontginningen. Daar waar sprake is van verrommelde kleiige veenlaagjes/venige kleilaagjes in die veentop kan sprake zijn van een betredingsniveau. Indien een dergelijk niveau ontbreekt geldt een lage verwachting voor de periode Romeinse Tijd – Vroege Middeleeuwen.Voor de periode Middeleeuwen – Nieuwe Tijd geldt een hoge verwachting. Na 100 na Chr. wordt het plangebied afgedekt met klei. Ook verschijnen er terpen in de omgeving van het plangebied waaronder het terpdorp Scharnegoutum zelf. Ook zijn er vondsten uit deze periode in de omgeving van het plangebied aanwezig. Vondsten uit deze periode worden in het humeuze kleidek vlak boven het veen verwacht.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Uit het verkennend booronderzoek blijkt een klei-op-veen-op-dekzand profiel. De top van het veen is erosief begrensd. Dit impliceert dat de oorspronkelijke top van het veen hier nagenoeg verdwenen is. In het onderliggende dekzand is overal een intact podzolprofiel gezien. De top van dit dekzand ligt op een diepte van 3,18 m -NAP (360 cm -mv) of dieper. In oostelijke richting is mogelijk sprake van een dekzandopduiking. Hier kunnen resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Vroeg-Neolithicum worden verwacht. De ontgravingen zullen niet tot deze diepte reiken. Wel zullen funderingspalen dit niveau bereiken, maar de verstoring die met het aanbrengen hiervan gepaard gaat is gering. De verwachting voor resten uit de Middeleeuwen – Nieuwe Tijd kan worden bijgesteld naar laag Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt daarom geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren zolang de grondwerkzaamheden niet tot dieper dan 2,90m –NAP reiken.Selectieadvies Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat jonger dan het Vroeg-Neolithicum (5500 – 3850 voor Chr.). Deze verwachting is gebaseerd op het aangetroffen veen- en kleipakket, waarin archeologisch relevante lagen niet zijn waargenomen. Mogelijk kunnen in het dekzand resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Vroeg-Neolithicum aanwezig zijn. Deze verwachting is gebaseerd op de aanwezigheid van een intacte podzolbodem en een (deel van een) dekzandopduiking in het oostelijke plangebied. De dekzandtop ligt op een diepte van 3,18 m -NAP (360 cm -mv) of dieper. Dit niveau wordt zeer waarschijnlijk niet geraakt door ontgravingen die met de bouw van nieuwe woningen gepaard gaan. Funderingen zullen wel tot voorbij dit niveau worden aangebracht. De verstoring die met het aanbrengen van dergelijke funderingen gepaard gaat is minimaal en zullen naar verwachting niet leiden tot ernstige aantasting van een eventuele vindplaats.Om deze reden adviseren we geen vervolgonderzoek uit te voeren. De implementatie van dit advies is in handen van de bevoegde overheid, de gemeente Súdwest-Fryslân. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, Mevr. Y. Boonstra en S. Zandboer.Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-xyh-tdhu
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-xyh-tdhu
Provenance
Creator E.W. Brouwer
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor R.C.B. Steenbak; Laagland Archeologie
Publication Year 2024
Rights DANS Licence; info:eu-repo/semantics/restrictedAccess; https://doi.org/10.17026/fp39-0x58
OpenAccess false
Contact R.C.B. Steenbak (Provincie Noord-Brabant)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/pdf; application/gml+xml; application/zip; text/xml
Size 5425788; 5802; 27070; 3289; 1190; 1343; 1815; 830; 1597; 6215; 10386; 7529; 1851; 1148; 1678; 1831; 2038; 2143; 2311; 1268; 1624; 2134; 1391; 1984492; 978; 1602; 177302; 1445; 977; 1280; 1604425; 907; 1208; 2963; 980; 38289; 3568; 2124; 2075; 1450; 1813; 1524; 2323; 306636; 305763; 52661; 1256; 498671; 454104; 306147; 306305
Version 1.0
Discipline Humanities