Laagland Archeologie heeft op 18 januari 2024 een Inventariserend veldonderzoek - proefsleuven uitgevoerd aan de Scherpenzeelseweg 7 te Leersum, gemeente Utrechtse Heuvelrug (UT). Op het terrein is eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het plangebied ligt in een gebied waar hellingafspoelingen voorkomen. Daarbovenop is waarschijnlijk een plaggendek aangelegd. In de omgeving komen zeer veel resten uit de periode Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd voor. Resten uit deze perioden kunnen eveneens in het plangebied worden verwacht.Tijdens het booronderzoek is onder een verstoorde laag een plaggendek aangetroffen, waaronder meestal een BC-horizont aanwezig is. Op basis daarvan kan het verwachtingsmodel gehandhaafd blijven.Op basis van dit onderzoek is door het bevoegd gezag besloten dat er een aanvullend onderzoek dient plaats te vinden in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek – proefsleuven.Het proefsleuvenonderzoek heeft tot doel gegevens te verkrijgen om de archeologische verwachting te toetsen en eventueel aanwezige vindplaatsen op te sporen en te waarderen. Op basis van de waardering kan de behoudenswaardigheid van de vindplaats binnen het plangebied worden vastgesteld. Ook diende het proefsleuvenonderzoek antwoord te geven op de in het PvE opgestelde onderzoeksvragen.Het onderzoek bestond uit een proefsleuvenonderzoek conform het KNA protocol 4003 IVO-P. Samengevat is tijdens het proefsleuvenonderzoek een antropogeen dek aangetroffen van meer dan een meter dik. De top van dit antropogene dek was recentelijk verstoord, hieronder bevond zich een plaggendek. Het plaggendek lag direct op de C-horizont van smeltwaterafzettingen.In de top van de C-horizont zijn in totaal meer dan 30 sporen aangetroffen. Het betreft voornamelijk paalsporen en kuilen. In deze sporen is zowel handgevormd als gedraaid aardewerk uit de Romeinse tijd aangetroffen. Op basis van het vondstmateriaal kunnen de sporen in de Romeinse tijd worden gedateerd.De vindplaats is gewaardeerd conform de KNA-criteria van de KNA 4.1. Op basis van deze criteria is de vindplaats als behoudenswaardig gewaardeerd. De vindplaats maakt deel uit van een groter in cultuur gebracht areaal van bouwland en begravingen die in de omgeving van de vindplaats zijn aangetroffen. De bewoningslocatie was echter vooralsnog onbekend.Geadviseerd wordt om bij de nieuwbouw rekening te houden met de archeologische resten en bodemingrepen te beperken tot een maximale diepte van 8,80 m +NAP. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om ter plaatse van de bodemingrepen de archeologische resten op te graven. Concreet zal dit betekenen dat de bouwkuipen van de drie nieuwbouwwoningen, met een bufferzone van 1 meter rondom de bouwkuip opgegraven worden.Hoewel het bevoegd gezag zich kan vinden in de conclusie dat er een behoudenswaardige vindplaats is aangetroffen, zijn zij het niet eens met het gegeven advies. De ontwikkeling betreft meer dan het bouwen van drie huizen, er zullen ook nutsvoorzieningen en beplanting worden aangelegd. Ook deze ingrepen bedreigen de archeologische waarden binnen het plangebied. Het bevoegd gezag heeft daarom besloten dat de archeologische resten ex-situ behouden dienen te worden. Hiervoor is een archeologische opgraving noodzakelijk. In het westelijke deel van het plangebied liggen de archeologische resten dieper en is behoud in-situ wel mogelijk.