Gespecificeerde archeologische verwachting
Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied een landschappelijke ligging heeft gehad op een lage dekzandrug in het westen, overgaand naar een dekzandlaagte in het oostelijke deel van het plangebied. Het westelijke deel van het plangebied kreeg waarschijnlijk minder snel te maken met wateroverlast en was dus geschikter waren voor (tijdelijke) bewoning of ontginning (door jagers-verzamelaars en navolgend landbouwers). Tevens wordt verwacht dat er in het centrale deel van het plangebied zandverstuivingen hebben plaatsgevonden waarschijnlijk door menselijk toedoen tijdens de Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd. Ten gevolge van deze zandverstuivingen werd het oostelijke deel van het plangebied een depressie waar een ven/moeraslandschap kon ontstaan. Door zandverstuiving kan enerzijds de voormalige top van de dekzandafzettingen zijn geërodeerd (verstoven) dan wel bedekt zijn geraakt (met stuifzand). Het oostelijke deel van het plangebied zal ten tijde dat het een ven/moeraslandschap in ieder geval ongeschikt zijn geweest voor bewoning. De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) is niet onopgemerkt aan Breda voorbij gegaan en heeft geleid tot veel verwoestingen in en rond de stad. Op basis van de kaart “De belegering van Breda door Spinola, 1624-1625” wordt verwacht dat in het centraal-zuidelijke en centraal-westelijke deel van het plangebied een verdedigingswerk van de 2e circumvallatielinie/circumvallatiewal heeft gelegen, met een mogelijke wachtlocatie (redoute) waar deze afbuigt. De Cultuurhistorische Inventarisatiekaart thema bestuurlijk en militair van de Gemeente Breda geeft ook aan dat in het zuidwestelijke deel van het plangebied een gedeelte van het in 1624/25 kamp op Bergschot heeft gelegen. Dit legerkamp zal op basis van de kaart “De belegering van Breda door Spinola, 1624-1625” waarschijnlijk meer een ligging hebben gehad circa 600 meter ten zuidwesten van het plangebied.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat aan het begin van de 19e eeuw het westelijke en centrale deel (en daarmee het stuifzandgebied) (aangeplant) bos betrof en het oostelijk deel van het plangebied (dekzandlaagte/voorheen moeras) in agrarisch gebruik was (vooral als grasland). Het bosgebied is nog gekapt aan het einde van de 19e eeuw en is rond het begin van de tweede helft van de 20e eeuw in agrarisch gebruik genomen. Deze ontginning is waarschijnlijk al gepaard gegaan met egalisatiewerkzaamheden/vergravingen. Alleen ter plaatse van de uiterst zuidwestelijke strook van het plangebied, langs de Tilburgseweg (en met een vrij beperkte oppervlakte), lijkt nog sprake te zijn van een intact stuifzandlandschap. Het merendeel van het plangebied is in de tweede helft van de 20e eeuw in gebruik genomen als terrein van een sloopbedrijf, waarbij ook omvangrijke puindepots zijn ontstaan en stortlichamen zijn uitgegraven. De naar verwachting omvangrijke bodemverstorende ingrepen vindt zijn weergave in het hoogtebeeld. Twee omvangrijke stortgaten zijn bekend en beslaan een groot deel van de westelijke helft en het zuidoostelijke deel van het plangebied. Eventuele restanten van een verdedigingswerk van de 2e circumvallatielinie/circumvallatiewal in het centraal-zuidelijke en centraal-westelijke deel van het plangebied zullen reeds zijn vernietigd tijdens het ontgraven van de stortgaten (waarvan het westelijk gelegen stortgat Put van Rasenberg reikt tot een diepte van wel 20 m -mv).
Voor de oostelijke helft van het plangebied is vrij recent (in 2020) door middel van een proefsleuvenonderzoek onderzocht en heeft geen archeologische vindplaatsen opgeleverd, ook geen restanten van onderdelen van de circumvallatielinie. Reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek binnen het onderzoeksgebied heeft vooral geresulteerd in het aantreffen van verstoorde terrein en het ontbreken van archeologisch relevante resten dan wel sporen. Wel zijn ten noorden en noordoosten van het plangebied veel Steentijdvondsten gedaan, nabij dan wel in het stuifzandgebied direct ten oosten van Teteringen.
Conclusie en advies
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek is het zeer aannemelijk dit binnen het overgrote deel van het plangebied sprake is van een sterk verstoorde bodemopbouw. Een in 2020 uitgevoerd proefsleuvenonderzoek voor de oostelijke helft van het plangebied heeft al aangetoond dat hier veel verstoringen hebben plaatsgevonden door recente graafwerkzaamheden. Voor het overgrote deel van het plangebied geldt dan ook geen verwachting meer op het voorkomen van in situ gelegen archeologische resten dan wel sporen en wordt dan ook geadviseerd geen aanvullend onderzoek/vervolgonderzoek te laten uitvoeren.
Alleen voor de uiterst zuidwestelijke strook van het plangebied zijn er geen aanwijzingen dat hier diepgaande bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd en geldt vooralsnog een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden vanaf het Laat-Paleolithicum t/m de Vroege-Middeleeuwen. Dit betreft een strook met nog een laatste restant van de Teteringse Heide, wat ecologisch is beschermd, en hier dus geen bodemverstorende ingrepen zullen worden uitgevoerd. Archeologisch vervolgonderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. Ten aanzien van het vrij te geven overgrote deel van het plangebied kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten. Mochten hier tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Het is raadzaam om ook de gemeente Breda op de hoogte te stellen.