In augustus 2024 is in opdracht van Waterschap Vallei en Veluwe door Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, om een archeologische verwachting op te stellen voor een plangebied langs de Hoevelakense beek (ter hoogte van de Koedijkerweg). Het betreft een tracé van in totaal 1.150 meter. Hier wordt een groot deel van de beek verondiept (versmalling), en voor een klein deel wordt er een natuurvriendelijke oever aangelegd. Bij het aanleggen van een natuurvriendelijke oever wordt er over een lengte van 425 meter een strook gegraven van circa 10 meter breed. Het totale oppervlak dat wordt ontgraven bedraagt dus circa 4.250 m2. Er wordt uitgegaan van een maximale ontgravingsdiepte van maximaal 1 meter. Het plangebied ligt binnen het bestemmingsplan ‘Partiële herziening Veegplan B ‐ Archeologie’ van de gemeente Amersfoort, waar het in de dubbelbestemming met Waarde Archeologie 3 en 4 ligt. Dit betreft circa 200 meter (2.000 m2) binnen Waarde Archeologie 3, het overige deel (225 meter, 2.250 m2) valt in de dubbelbestemming Waarde Archeologie 4. De geplande werkzaamheden binnen de dubbelbestemming Waarde Archeologie 3 overschrijden de vrijstellingsgrenzen, en deze zijn vergunnings‐ en onderzoeksplichtig. Dit archeologisch bureauonderzoek is de eerste stap in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Landschappelijk gezien ligt het plangebied in het oerstroomdal van de huidige rivier de Eem. Aan weerszijden van dit oerstroomdal bevinden zich meerdere dekzandruggen. Deze dekzandruggen waren de hoger gelegen delen van het landschap, met dus in de directe omgeving water, en waren zeer geschikt voor bewoning in de prehistorie (steentijd tot en met ijzertijd). Op basis van bekende archeologische informatie werd duidelijk dat er aanwijzingen zijn voor activiteit binnen het onderzoeksgebied in het mesolithicum, het neolithicum en de ijzertijd. Vanaf het neolithicum neemt de veengroei binnen het onderzoeksgebied echter toe, en mogelijk was de directe omgeving van het plangebied ook te nat voor bewoning. Gezien enkele aangetroffen vondsten uit het neolithicum op de dekzandruggen, en een vindplaats uit de ijzertijd, is activiteit binnen het onderzoeksgebied uit deze perioden dus niet geheel uit te sluiten. Het plangebied ligt echter zelf in een lager deel van het landschap, namelijk het beekdal, en hier kunnen voornamelijk resten van tijdelijke activiteiten bij het beekdal uit bovengenoemde perioden worden verwacht (jacht/voedselverzameling, mogelijk rituele deposities). Vanaf de late middeleeuwen begint met de veenontginningen binnen het onderzoeksgebied, en in de 17e en 18e eeuw stond de directe omgeving bekend vanwege de tabaksteelt. Het plangebied kent in deze perioden voornamelijk een agrarisch karakter: er zijn akkers aanwezig, en tevens een oude weg met brug. Binnen het plangebied worden er voornamelijk resten vanaf de late middeleeuwen verwacht (greppels, sloten, historische weg/brug). Resten van beekdalactiviteiten uit de steentijd tot en met de ijzertijd kunnen ook mogelijk worden aangetroffen. De veenontginningen in het verleden hebben al voor bodemverstoring gezorgd. Ditzelfde geldt voor recentere (aanleg)activiteiten: de Hoevelakense beek is rond 1973 rechtgetrokken, en in het noordelijke deel van het plangebied is er in 1893 een spoorlijn aangelegd. Beide hebben al voor bodemverstoring gezorgd. Aan de hand van een KLIC‐melding wordt in ieder geval duidelijk dat alleen langs de Koedijkerweg en de huidige brug bestaande kabels en leidingen aanwezig zijn. Hier is de bodem ook verstoord. Aan de hand van de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart wordt duidelijk dat een groot deel van het plangebied in een zone met een lage archeologische verwachting ligt (gelijk met dubbelbestemming Waarde Archeologie 4). Een klein deel, gelijk aan de dubbelbestemming Waarde Archeologie 3, valt in een middelhoge archeologische verwachting. Advies Antea Group Aan de hand van bekende archeologische gegevens, maar ook op basis van de archeologische gemeentelijke beleidskaart, kent een deel van het plangebied een hogere archeologische verwachting dan de rest van het plangebied. Een groot deel van het plangebied kan worden vrijgegeven voor het uitvoeren van de voorgenomen bodemingrepen (Afbeelding 18). Advies tot begeleiding Voor het deel van het tracé (circa 200 meter) waar een natuurlijkvriendelijke oever wordt aangelegd en binnen de dubbelbestemming Waarde Archeologie 3 valt, geldt een relatief hoge archeologische verwachting. Hier worden resten van beekdalactiviteiten uit de prehistorie verwacht en verder resten van agrarische activiteiten uit de late middeleeuwen en later. Tevens overschrijden de geplande werkzaamheden de vrijstellingsgrenzen die zijn opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Vanwege de relatief hoge archeologische verwachting adviseert Antea Group om hier de ontgraving voor de aanleg van de natuurvriendelijke oever uit te laten uitvoeren onder archeologische begeleiding (proefsleuven, variant archeologische begeleiding, protocol 4003). In afbeelding 18 en bijlage 0495431‐05 is de specifieke zone afgebeeld. Het gaat alleen om de werkzaamheden van het aanleggen van de natuurvriendelijke oever. Advies tot vrijgave Voor het overige deel van het tracé geldt dat er óf geen bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden (versmallen beek) óf de bodemverstorende werkzaamheden liggen in zones waar er een lage archeologische verwachting geldt. Met de bodemverstorende werkzaamheden worden tevens de opgestelde vrijstellingsgrenzen niet overschreden. Voor deze delen van het tracé wordt daarom vrijgave geadviseerd; de voorgenomen werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder een archeologisch vervolgonderzoek. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5 .10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033‐4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.