Gespecificeerde archeologische verwachting. Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum (vuursteenvindplaatsen), een middelhoge tot lage verwachting voor de perioden Laat-Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen en een hoge tot zeer hoge verwachting voor de perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd (Nieuwe tijd zeer hoog met name voor de zuidwestelijk gelegen terreindelen. Het plangebied ligt grotendeels in wat voorheen een dalvormige laagte betrof binnen een van west naar oost (flauw) hellende daluitspoelingswaaier. Hierbij lagen specifiek de westelijk gelegen terreindelen binnen dan wel direct langs het hierin ingesneden beekdal van De Grift. Alleen het noordoostelijk gelegen terreindeel lag (net) buiten dit beekdal. Met het beekdal als natuurlijke bron van water en een grote aantrekkingskracht voor wild, waarop kon worden gejaagd, vormde de zones langs het beekdal voor jagers-verzamelaars aantrekkelijke locaties voor tijdelijke/kortstondige bewoning (jachtkampementen). Uitgevoerde archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied hebben tot op heden niet geresulteerd in het aantreffen van vuursteenvindplaatsen, dan wel van watergelateerde vondsten (voor het laatste geldt wel dat dit veelal puntlocaties vormen, welke zeer moeilijk op te sporen zijn). Voor landbouwers zullen de westelijk gelegen terreindelen van het plangebied minder geschikt zijn geweest als bewoningslocaties (te nat/drassig). Specialistische activiteiten konden wel worden ontplooid direct langs de randen van het beekdal van De Grift, waardoor nog wel een verhoogde verwachting geldt voor zogenaamde beekdal-gerelateerde resten. Echter, ook hier betreffen het veelal puntlocaties die zeer moeilijk op te sporen zijn. Het noordoostelijk gelegen terreindeel, buiten het beekdal en wat tot het oude bouwlandcomplex van de Wormense Enk heeft behoort, was wellicht voldoende geschikt voor het ontplooien van bewoningsactiviteiten door landbouwers. Laatprehistorische en middeleeuwse resten zijn tot op heden vooral aangetroffen buiten het dal van De Grift op de hoger gelegen daluitspoelingswaaiers. Meest van belang voor het plangebied (zeker de westelijk gelegen terreindelen) zijn de aanpassingen/kanalisatie van de beekloop van De Grift, de aanleg van sprengbeken/bedijkte overbeken en de hierlangs ontstane (papier)industrie en erven. Een gedetailleerd kaartbeeld van de Kadastrale kaart uit 1811-1832 laat in de directe nabijheid dan wel deels binnen de westelijk gelegen terreindelen historische erven/bebouwing zien. Ter hoogte van de zuidwestelijk gelegen terreindelen heeft specifiek de Tepelenberg papiermolen gestaan, welke zijn oorsprong vond rond het jaar 1680. Het plangebied ligt wel in een gebied dat onderhevig is geweest aan een intensieve fase van stadsvernieuwing gedurende de jaren ’60 en ’70 van de 20e eeuw, met hierbij gepaard gaande bodemverstorende ingrepen. Het tussen de terreindelen aanwezige (onderkelderde) centraal Beheergebouw is in 1972 gebouwd, waarna de huidige inrichting van het omliggende, merendeels openbare terrein is ontstaan.
Resultaten inventariserend veldonderzoek. De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) bevestigen dat het plangebied een intensieve bodembewerking heeft gekend/onderhevig is geweest aan waarschijnlijk verschillende graafwerkzaamheden in de Nieuwe tijd. Ook tijdens de bouw van het Centraal Beheer-gebouw en de inrichting van het omliggende terrein in de jaren ’70 van de 20e eeuw (en daarmee ook binnen de vijf onderzochte terreindelen), hebben moderne vergraving/verstoringen als ook ophogingen plaatsgevonden. Restanten van een van nature gevormd bodemprofiel zijn in géén van de gezette boringen waargenomen. Wel geven een drietal boringen (boringen 5, 9 en 10) gezet in de zuidwestelijk gelegen terreindelen indicaties/concrete aanwijzingen dat er nog Nieuwe tijd resten/sporen/structuren kunnen worden aangetroffen. Ter plaatse van de boringen 5 en 9 gaat het mogelijk om bewaard gebleven dempingen/vullingen van mogelijk een sprengbeek en van het gekanaliseerde dal van De Grift. Het niveauverschil van circa 1 meter niveauverschil ten opzichte van NAP van de mogelijke oudere vullingen/dempingen van een sprengbeek/geleide beek en dat van het gekanaliseerde dal van De Grift kan verklaard worden door het door de mens gerealiseerde vervalniveau, om te dienen voor de aandrijving van een molen op waterkracht (goed mogelijk de waterradaandrijving bij de Tepelenberg papiermolen). Ter plaatse van boring 10 oogt het onderste humeuze, donkergrijs gekleurde zand-pakket als een oudere humeuze demping of mogelijk betreft het een archeologisch spoor. Het tevens hierin aangetroffen antropogene materiaal bestaat uit grofkeramische bouwmateriaal (stukken handgevormde baksteen, dakpanfragmenten), roodbakkend aardewerk een kleine complete glazen knoop in wit melkglas en metaalslakken, daterend uit de periode 1700-1950 (18e/19e/1e helft 20e eeuw). Qua datering is het goed mogelijk dat het materiaal gerelateerd kan worden aan de Tepelenberg papiermolen (later het terrein van een wasserij (de Apeldoornsche Stoomwasscherij, Bleekerij en Machinale Strijkinrichting, M.J. van Alphen)), welke gelegen heeft op de noordoostelijke hoek-locatie waar een sprengbeek aansloot op De Grift. Conclusie. Geconcludeerd wordt dat er binnen de drie zuidwestelijk gelegen terreindelen nog indicaties/concrete aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van Nieuwe tijd resten/sporen/structuren. Voor de drie zuidwestelijk gelegen terreindelen blijft de hoge tot zeer hoge verwachting op de aanwezigheid van Nieuwe tijd resten/sporen/structuren dan ook gehandhaafd. Voor het meest noordwestelijk en het noordoostelijk gelegen terreindeel, waar alleen een recent verstoorde bodemopbouw is waargenomen en indicaties/concrete aanwijzingen ontbreken voor de aanwezigheid van nog in situ gelegen Nieuwe tijd resten/sporen/structuren, dient de verwachting voor de periode Nieuwe tijd bijgesteld te worden naar een lage verwachting. Verder wordt geconcludeerd dat het gehele plangebied een lage verwachting heeft op het voorkomen van archeologische resten en/of sporen uit oudere perioden. Deze worden ook niet meer in onverstoorde context verwacht, ook niet binnen het noordoostelijk gelegen terreindeel, welke voorheen binnen de begrenzing van de Wormense Enk heeft gelegen (geen plaggendek aanwezig, alleen recente verstoringen met een scherpe overgang direct naar de C-horizont). Advies. Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen de drie zuidwestelijk gelegen terreindelen (zie figuur 21) een vervolgonderzoek te laten uitvoeren, om daarmee daadwerkelijk te kunnen bepalen of in situ gelegen Nieuwe tijd resten/sporen/structuren nog aanwezig zijn. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek, waarbij de sleuven zich (in eerste instantie) dienen te richten op de locaties waar de boringen 5, 9 en 10 zijn gezet (waar indicaties/concrete aanwijzingen bewaard zijn gebleven van dempingen/vullingen van een sprengbeek, de gekanaliseerde beekloop van de Grift (met mogelijk aanverwante structuren, zoals beschoeiingen), als van resten/sporen van mogelijk de Tepelenberg papiermolen/de latere wasserij). Voor het proefsleuven-onderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE dient te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Apeldoorn).
Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is alleen mogelijk als er archeologie-vriendelijk gebouwd wordt door niet dieper te ontgraven dan 90 cm onder het huidige maaiveld (bijvoorbeeld door het plangebied op te hogen waar de aanbouw zal worden gerealiseerd). In de praktijk zal dit lastig uitvoerbaar zijn, gezien de wens te gaan bouwen op de vaste ondergrond (‘bouwen op geel zand’). Voor het meest noordwestelijk en het noordoostelijk gelegen terreindeel wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek/aanvullend onderzoek te laten uitvoeren. Dit vanwege het ontbreken van indicaties/concrete aanwijzingen van in situ gelegen Nieuwe tijd resten/sporen/structuren en het verder ontbreken van restanten van de oorspronkelijke bodemopbouw (ook geen plaggendek, welke in het noordoostelijk gelegen terreindeel nog kon worden verwacht). Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. Ten aanzien van het meest noordwestelijk en het noordoostelijk gelegen terreindeel kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten. Mochten hier tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Beoordeling en advies bevoegde overheid. Bovenstaande advies is voorgelegd aan de bevoegde overheid in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Apeldoorn en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door mevrouw M. Kenemans, d.d. 13-12-2022). De bevoegde overheid stemt niet volledig in met de conclusies en het advies van Econsultancy. Aangezien het gehele terrein ten westen en oosten van het monumentale Centraal Beheergebouw heringericht zal worden is het huidige uitgevoerde onderzoek, wat alleen de (geplande) locatie van de torens betreft, en de conclusies die op basis daarvan zijn getroffen, niet afdoende. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek valt te concluderen dat het gehele plandeel ten oosten van het CB-gebouw een lage verwachting heeft op het voorkomen van archeologische resten en/of sporen uit alle perioden. Voor het plandeel ten westen van het CB-gebouw is nu aangetoond dat ter hoogte van de meest noordelijk geplande toren eveneens een lage verwachting geldt op het voorkomen van archeologische resten en/of sporen uit alle perioden. Besluit: voor het oostelijke plandeel en voor het hierboven aangegeven noordelijk deel van het westelijk plangebied, kan de archeologische verwachting bijgesteld te worden naar een lage verwachting (categorie 5). Voor de rest van het gehele westelijke plandeel blijft vooralsnog, tot nader onderzoek is uitgevoerd, een hoge tot zeer hoge verwachting gelden op het aantreffen van resten uit alle perioden, en dus niet alleen binnen en rondom de paarse contouren zoals aangegeven op figuur 21 maar ook daarbuiten/ten noorden daarvan. Besluit: De hoge tot zeer hoge archeologische verwachting op het aanwezig zijn van archeologische waarden, die reeds conform de archeologische beleidskaart als categorie 3 en 2 voor het plangebied gelden, dient dan ook verder voor het gehele overige westelijke deel van het plangebied gehandhaafd te blijven tot nader onderzoek eventueel anders uitwijst. In het kader van een toekomstige aanvraag omgevingsvergunning is voor het terreindeel ten westen van het CB-gebouw bij geplande bodemingrepen buiten de nu onderzochte torenlocaties nog een aanvullend onderzoek noodzakelijk, om ook daar de mate van intactheid van de bodemopbouw en de archeologische verwachting te toetsen. In plaats van boringen kan dit ook direct door middel van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek gebeuren, waarmee meteen inzicht verkregen wordt of behoudenswaardige archeologie aanwezig is. Op basis van de gerapporteerde resultaten van dit aanvullende onderzoek kan dan vervolgens door de Sectie Archeologie gemeente Apeldoorn (SAGA) een selectiebesluit genomen worden of daarna nog verder archeologisch onderzoek in de vorm van een opgraving noodzakelijk is.