De bodemopbouw in het plangebied is die van een begraven ooivaaggrond in een opeenvolging van kom-, crevasse-, en oeverafzettingen. De matig ontwikkelde A-horizont bevindt zich in alle gevallen in de top van de oeverafzettingen en gaat naar beneden toe geleidelijk over in een zandig en kleiige C-horizont. Het ophoogpakket kent een dikte tussen 40 en 95 centimeter. Met inachtname van de bewezen (sub)recente verstoring in boring 2 kan worden geconcludeerd dat het plangebied overal tot een diepte van circa 65 centimeter -mv, maar plaatselijk dieper verstoord is. Er zijn binnen het plangebied archeologische indicatoren in de vorm van baksteen- en houtskoolspikkels, al dan niet verbrand bot, verhit/verbrand leisteen en een poreus cementfragment aangetroffen. In boring 2, 3, en 4 blijft het voorkomen van archeologisch relevante indicatoren beperkt tot de crevasse- en oeverafzettingen, die binnen het plangebied gelegen zijn tussen circa 65 en 170 centimeter -mv. In boring 1 zijn buiten de crevasse- en oeverafzettingen ook een tweetal vondsten gedaan bovenin de komafzettingen. Van deze vondsten kan niet uitgesloten worden dat ze oorspronkelijke als insluitsel in een hoger gelegen pakket aanwezig waren. De bij dit onderzoek aangetroffen vondsten hebben niet tot een gefundeerde datering geleid. Op basis van de conclusies van dit onderzoek kan niet uitgesloten worden dat zich binnen het plangebied archeologische resten bevinden. Als de met de geplande ontwikkeling gepaard gaande bodemverstoring dieper reikt dan 65 centimeter -mv, dan wordt plaatselijk de het onverstoorde bodemprofiel ontsloten. Hierbij bestaat een gerede kans dat de archeologisch interessante oeverafzettingen en crevasseafzettingen worden verstoord. Uit dit onderzoek blijkt dat de kans op verstoring van archeologische waarden in het plangebied sterk afhankelijk is van de werkelijke verstoringsdiepte van de met de geplande ontwikkeling gepaard gaande bodemingrepen. Indien deze beperkt blijft tot 65 centimeter onder het huidige maaiveld zullen slechts de zandige ophooglaag en (sub)recent verstoorde pakketten ontsloten worden. Gezien de lage archeologische verwachting voor deze pakketten kan het plangebied, indien de verstoring inderdaad beperkt blijft tot 65 centimeter -mv, vrijgegeven worden voor de geplande ontwikkeling. Indien de met de voorgenomen ontwikkeling gepaard gaande bodemverstoring dieper reikt dan 65 centimeter -mv wordt vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven aanbevolen om de aard en verspreiding van het bij dit onderzoek aangetroffen vondstniveau vast te stellen. Dit vondstniveau omvat de toppen van de oever- en crevasseafzettingen. Deze afzettingen komen binnen het plangebied over het algemeen voor tussen circa 0,65 en 1,70 meter -mv. Ter hoogte van boring 2 zijn de crevasseafzettingen aanmerkelijk dikker, maar gezien het feit dat dit pakket hier homogeen van aard is, en bovendien vrij van archeologische indicatoren, wordt aanbevolen hier met name de bovenste circa 50 centimeter van dit pakket bij het vervolgonderzoek te betrekken.