Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) bevestigd de ligging van het plangebied binnen een terrasrest van het Pleniglaciale Laagterras, welke is afgedekt met een Wijchen Laag en rivierduinzand. Binnen het merendeel van het schoolterrein komen tot een variërende diepte van minimaal 70 tot maximaal 170 cm -mv geroerde/verstoorde lagen grond voorkomen, met hieronder nog wel een intact restant van de van nature gevormde vorstvaaggrond/holtpodzolbodem (bruine bosgrond). Het gaat om een intact restant van de verwerings-/verbruinings-1Bws-horizont en/of direct de overgangs-1BC-horizont. In het zuidelijke deel van het plangebied laten de boringen veel resten beton- en baksteenpuin zien en zijn ook deels gestuit/gestaakt op massieve verhardingen. Goed mogelijk zijn deze verstoringen gerelateerd aan de inrichting als tankstation, zoals besproken in § 2.3 van het bureauonderzoek. Tevens heeft er in het zuidelijke deel van het plangebied een waterbassin gelegen, waarvan goed mogelijk is dat deze volgestort is met grond vermengd met bouwpuin/bouwafval. Bekend is dat het zuidelijke deel van het plangebied heeft gefunctioneerd als gemeentewerkplaats. Dit gebruik heeft geleidt tot diepgaande verstoringen van de oorspronkelijke bodemopbouw, binnen een terrein dat verder ook verlaagd in het landschap ligt.
Vanuit de verkennende fase geldt dat voor het centrale tot centraal-noordelijke deel van het plangebied het archeologisch potentiële sporenniveau nog deels intact aanwezig is, vanwege het nog deels intacte oorspronkelijke bodemprofiel (vorstvaaggrond/holtpodzolgrond/bruine bosgrond). Voor het uiterst noordelijke en het zuidelijke deel van het plangebied is dit niveau al volledig verstoord. Antropogeen materiaal is alleen in de geroerde/verstoorde lagen grond aangetroffen. Het gaat om recent/modern daterend materiaal, welke niet als archeologisch relevant worden beschouwd. Vooral in de het zuidelijke deel van het plangebied zijn veel resten beton- en baksteenpuin en lokaal resten kolengruis aangetroffen, welke zeer waarschijnlijk in de bodem terecht zijn gekomen tijdens het gebruik als tankstation en gemeentewerkplaats. Archeologisch relevante indicatoren zijn verder niet aangetroffen in de onderliggende onverstoorde/niet recent verstoorde bodemopbouw. Ook zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van door de mens gevormde (oude) cultuurlagen/antropogene lagen. Op basis van de resultaten van de karterende fase van het booronderzoek is er dan ook geen duidelijke aanleiding meer om nog de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied te vermoeden.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een hoge verwachting gold voor de perioden Laat-Paleolithicum t/m Middeleeuwen en een lage verwachting voor de periode Nieuwe tijd, dient dan ook te worden bijgesteld naar geen verwachting.
Advies
Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Een ten dele verstoorde bodemopbouw is waargenomen om het centrale tot noordelijke deel van het plangebied. Diepgaande verstoringen hebben plaatsgevonden in het zuidelijke deel van het plangebied. Verder ontbreekt het aan aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden (geen archeologische resten aangetroffen in het zeefresidu, geen archeologische relevante lagen waargenomen.
Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).