Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit alle periodes vanaf het Laat-Paleolithicum t/m de Middeleeuwen. Dit op basis van de landschappelijke ligging, binnen het stuwwalrandlandschap van Montferland waar gordeldekzanden zijn gesedimenteerd, in de vorm van gordeldekzandruggen, -glooiingen en welvingen. Door zijn gradiëntsituatie had het plangebied in principe al een gunstige ligging voor jagers-verzamelaars (Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). De gunstige ligging voor landbouwers geldt vooral vanwege het voorkomen van voldoende areaal aan goed ontwaterde en tevens vruchtbare gronden, omdat er van nature gevormde moderpodzolgronden (holtpodzolgronden, wordt ook wel aangeduid als een bruine bosgronden) worden verwacht. Ook vanaf de Middeleeuwen behield het plangebied zijn gunstige ligging als bewoningslocatie, echter vanaf deze tijd concentreert bewoning zich meer in dorpen en bewoningsclusters. De hoge verwachting wordt tevens ondersteund door de resultaten van eerder uitgevoerd gravend onderzoek circa 100 meter ten zuiden van het plangebied bevestigd dit beeld, waarbij onder andere restanten van een grafveld uit de Late-Bronstijd en/of de Vroege-IJzertijd en een tweetal boerderijplattegronden met bijbehorende randstructuren en karrensporen uit de Middeleeuwen (Karolingische periode en Volle-Middeleeuwen) zijn aangetroffen. Tevens heeft gravend onderzoek uitgevoerd circa 350 meter ten westen van het plangebied bewoningssporen uit de 12e tot en met de 13e eeuw opgeleverd en ook grotere hoeveelheden slakken die samenhangen met de ijzerproductie in de omgeving. Alleen voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag. Op basis van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal zijn er geen aanwijzingen dat het plangebied deel heeft uitgemaakt van een historisch erf.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) laten zeker in het noordelijke deel van het plangebied een intacte bodemopbouw zien, met alleen recente bewerking van de huidige bouwvoor (bovenste 30 cm). Het plaggendek van voldoende dikte (≥ 50 cm) om te spreken van een hoge bruine enkeerdgrond. Tussen gemiddeld 60 en 120/140 cm -mv is sprake van het intacte deel van het van nature gevormde bodemprofiel, in de vorm van de verwerings/verbruinings-Bws-horizont en de overgangs-BC-horizont van de van nature gevormde holtpodzolbodem/bruine bosgrond. De boringen gezet in het zuidelijke deel van het plangebied laten wat meer verstoringen zien, gemiddeld tot circa 70 cm -mv, maar vaak is nog een onverstoord restant van het plaggendek aangetroffen en is overal een restant van de van nature gevormde holtpodzolbodem/bruine bosgrond nog intact aanwezig. Het archeologisch potentiële sporenniveau lijkt binnen het gehele plangebied nog intact aanwezig. Archeologische sporen, indien aanwezig kunnen direct onder het plaggendek worden aangetroffen en bewaard zijn gebleven in het resterende deel van de van nature gevormde holtpodzolbodem/bruine bosgrond. Archeologische sporen zullen meest zichtbaar zijn in de BC-horizont en op de overgang naar de C-horizont, op een diepte tussen circa 90/100 en 120/140 cm -mv.
Archeologische indicatoren zijn aangetroffen in een groot deel van de gezette boringen, welke tevens verspreid liggen binnen het plangebied. Er zijn een fragment gladwandig aardewerk, een fragment Mayen aardewerk en een fragment Walberberg aangetroffen, welke dateren uit de periode 600-900 n. Chr. (Vroege-Middeleeuwen B/C). Jonger materiaal betreft een fragment Siegburg steengoed en een fragment van de steel van een kleipijp. Ook zijn diverse fragmenten slakmateriaal aangetroffen. Het vondstmateriaal is vooral in het plaggendek aangetroffen, echter ook in de onderliggende top van de oorspronkelijke holtpodzolbodem/bruine bosgrond. Het is waarschijnlijk dat het vondstmateriaal in het plaggendek terecht zijn gekomen door omspitting van de humeuze toplaag van de oorspronkelijke bodembouw (holtpodzolgrond) en niet van elders zijn aangevoerd (geen bemestingsresten), aangezien onder het plaggendek ook vondstmateriaal is aangetroffen. De enkele fragmenten in het bovenste deel van de onderliggende oorspronkelijke bodemopbouw kan door bioturbatie zijn verplaatst.
Het vondstmateriaal kan duiden op (vroeg)middeleeuwse menselijke bewoningsactiviteiten, welke binnen de begrenzing dan wel in de directe omgeving van het plangebied hebben plaatsgevonden. Duidelijkheid hierover dient te worden bepaald middels proefsleuvenonderzoek. Circa 100 meter ten zuiden van het plangebied, aan de Eltenseweg 2, is vondstmateriaal aangetroffen met een vergelijkbare datering (materiaal uit de Karolingische periode en Volle-Middeleeuwen) en is wellicht te relateren aan eenzelfde bewoningslocatie. Omdat ijzerslak is aangetroffen in combinatie met aardewerk, dient rekening te worden gehouden met een middeleeuwse productieplaats van ijzer of ijzerverwerking.
Conclusie
Op basis van de geleverde onderzoeksinspanning, de daarbij waargenomen (vrijwel geheel/deels) intacte bodemopbouw binnen het plangebied en de aangetroffen archeologisch relevante indicatoren, wordt geconcludeerd dat de kans reëel blijft voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats binnen het plangebied. Archeologische bewoningssporen worden verwacht en direct onder het plaggendek, op een diepte vanaf gemiddeld 60/70 cm -mv. Door de voorgenomen ingreep (nieuwbouw van drie woningen) zal een mogelijk aanwezige archeologische vindplaats dan ook worden verstoord.
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om een vervolgonderzoek te laten uitvoeren binnen het gehele plangebied. Behoud van de mogelijk aanwezige archeologische vindplaats zal niet mogelijk zijn bij een niet aangepaste uitvoering van de huidige plannen. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proef-sleuvenonderzoek (IVO-P), met de proefsleuven gericht op de nieuwbouwlocaties van de drie geplande woningen.
Voor het proefsleuvenonderzoek (IVO-P) dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE dient te worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Montferland).
Behoud in situ van een mogelijk aanwezige archeologische vindplaats is alleen maar mogelijk als bodemingrepen niet dieper gaan dan circa 40 cm minus huidig maaiveld. Er dient een dikte van circa 20/30 cm van het plaggendek behouden te blijven als bufferzone en conserveringslaag van het onderliggende potentiële archeologisch sporenniveau, dat direct onder het plaggendek nog merendeels intact wordt verwacht. Door de initiatiefnemer dient bepaald te worden of het economisch rendabel is om het inrichtingsplan zo aan te passen dat toekomstige graafwerkzaamheden voor de nieuwbouw van de woningen niet dieper gaan dan 40 cm minus huidig maaiveld. Dit geldt dan ook voor de aanleg van kabels en leidingen.