Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (20070.001) Rozegaarderweg 1 te Hummelo

DOI

Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m de Middeleeuwen. Het plangebied ligt namelijk binnen het rivierduinenlandschap en specifiek binnen het noordelijke deel van een omvangrijke rivierduin. In de tijd van de Jagers-Verzamelaars (einde Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) zullen de rivierduinen een gunstige ligging hebben gehad als tijdelijke nederzettingslocatie. Ook vanaf het Neolithicum vormde grote delen van het rivierduinenlandschap gunstige locaties voor bewoning en beakkering, zeker de flanken van rivierduinen. Geraadpleegde historisch kaartmateriaal is bekend dat het plangebied vanaf in ieder geval de 2e helft van de 18e eeuw deel heeft uitgemaakt van een omvangrijk gebied van woeste gronden en in gebruik was als heide. Pas met het ontstaan van het erf aan de Rozegaardeweg 1 (woonboerderij "De Wilms-Hoeve" die uit circa 1870 dateert) is het plangebied in agrarisch gebruik genomen (vrij jonge ontginning) en een plaggendek wordt dan ook niet verwacht. Er zijn verder geen aanwijzingen dat binnen de begrenzing van het plangebied historische bebouwing heeft gestaan gerelateerd aan het erf "De WilmsHoeve". Voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting dan ook laag. In de Tweede Wereldoorlog is er ten zuidwesten van het plangebied een Duitse loopgraaf is aangelegd. Het plangebied bevindt zich echter buiten de begrenzing van de 5 meter attentiezone die normaliter wordt aangehouden als het gaat om het hebben van een verhoogde kans op resten/gebruiksvoorwerpen die verband houden met de Tweede Wereldoorlog.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) laten voor het plangebied een paleogeografische ontwikkeling zien van een ligging binnen het Laatglaciale terras, welke is afgedekt/opgevuld met een tijdens het Allerød-interstadiaal gesedimenteerde Laag van Wijchen (dikkere opvulling binnen van relatief laaggelegen vlechtende restgeulen/oude rivierbeddingen). Hierboven liggen Jonge Dryas rivierduinafzettingen, waarbij de beginfase van sedimentatie ook gekenmerkt wordt door veengroei. Een groot deel van het plangebied nam in eerste instantie een landschappelijke positie in binnen een zeer natte context. Ook is in het westelijk gelegen terreindeel het pakket sterk zandig veen tot venig zand plaatselijk zwak tot sterk kleiig, wat duidt op een periodieke influx van overstromingsklei tijdens waarschijnlijk hoogwater van de Rijntak door het Oude IJsseldal. In de top van het pakket rivierduinafzettingen is een vorstvaaggrond/holtpodzolbodem tot ontwikkeling gekomen. Deze is over het algemeen in beperkte mate verstoord binnen het plangebied (beperkt tot de huidige bouwvoor), ten gevolgde van het agrarisch gebruik van het terrein. Vanaf 25 tot circa 50/60 cm -mv is nog een veelal een zwak ontwikkelde 1Bws-horizont aanwezig. Daarmee in binnen een groot deel van het plangebied het archeologisch potentiele sporenniveau intact, op basis van de verkennende fase van het booronderzoek. Het archeologisch potentiële vondstniveau is al wel in sterke mate aangetast. Alleen ter plaatse van de boringen 6 en 10 zijn hebben (wat) diepere verstoringen plaatsgevonden, tot respectievelijk 65 en 120 cm -mv. Hierbij is in ieder geval gehele van nature gevormde vorstvaaggrond/holtpodzolbodem verstoord geraakt/omgewerkt.   Vanuit de karterende fase van het booronderzoek is antropogeen materiaal alleen aangetroffen in de huidige bouwvoor en bestaat uit alleen resten/spikkels recent beton- en baksteenpuin. Deze resten zijn vanuit archeologisch oogpunt niet relevant. Archeologisch relevante indicatoren zijn verder niet aangetroffen. Ook zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van door de mens gevormde (oude) cultuurlagen/antropogene lagen.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een hoge verwachting gold voor de perioden Laat-Paleolithicum t/m Middeleeuwen en een lage verwachting voor de periode Nieuwe tijd, dient dan ook te worden bijgesteld naar geen verwachting.

Advies Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden (geen archeologische resten aangetroffen in het zeefresidu), adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/DTRBQX
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/DTRBQX
Provenance
Creator Broeke, ten, E.M.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy; Broeke, E.M. ten
Publication Year 2023
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 8881393
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem