Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (11773.001) Batterijenweg 15 te Kesteren

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoekOp basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting voor het voorkomen van archeologische resten uit de perioden vanaf het Laat-Neolithicum. Het plangebied heeft een paleogeografische ontwikkeling waarbij het vanaf het (Laat-)Paleolithicum t/m het Laat-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars en Vroege-Landbouwers) een ligging had binnen vlechtende riviervlakte (Laagterras) overgaand naar een ligging binnen een komgebied en geen gunstige bewoningslocatie vormde. Met het ontstaan van de meandergordel/stroomgordel van Herveld kwam het plangebied binnen de zuidelijk gelegen oeverwalzone te liggen. Deze stroomgordel was actief van circa 3558 tot 272 v. Chr. (Midden-Neolithicum t/m Midden-IJzertijd). De ligging op een oeverwal gaf de beschikking van voldoende areaal bouwland (akkergronden) en het houden van vee, en daarmee de ontwikkeling van een nederzetting((s)complex). Met het ontstaan van de ten noorden gelegen meandergordel/stroomgordel van Mars-Oude Rijn (ca. 99-1540 n. Chr.) en vervolgens de Nederrijn (ca. 614 n. Chr. tot heden) kreeg het plangebied een ligging op de lagere flank van een oeverwal dan wel in de overgangszone naar een komgebied, maar bleef daarmee waarschijnlijk wel voldoende geschikt als bewoningslocatie. Archeologische vooronderzoeken (prospectieve onderzoeken) die in de directe omgeving van het plangebied zijn uitgevoerd hebben veelal niet geresulteerd in het aantreffen van archeologische indicatoren/behoudenswaardige vindplaatsen. Alleen een bureau- en booronderzoek en navolgend een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd circa 200 meter ten noordwesten van het plangebied heeft archeologische resten en sporen opgeleverd van de periferie van vermoedelijke nederzetting/huisplaats uit de Late-IJzertijd die in zuidelijke richting gezocht moet worden, langs de Hogeveldseweg. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat het plangebied vanaf het begin van de 19e eeuw geheel in agrarisch gebruik was. Er zijn op deze kaartbeelden geen elementen te ontdekken die duiden op een voorheen aanwezig een historisch (boeren)erf (Nieuwe tijd). De verwachting voor de periode Nieuwe tijd is dan ook laag.Resultaten inventariserend veldonderzoekDe resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) laat goede overeenkomsten zien met de in het bureauonderzoek beschreven paleogeografische ontwikkeling van het plangebied. De boringen hebben een nog gedetailleerder beeld opgeleverd, waaruit blijkt dat het noordelijke deel van het plangebied binnen de begrenzing ligt van de stroomgordel van Herveld, vanwege de op diepte aangetroffen beddingzanden. De hier-boven gelegen oeverafzettingen (uiterst siltige tot zandige klei) bevinden zich op een diepte vanaf gemiddeld 235 cm -mv. Ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveldniveau, toen het plangebied nog een agrarisch gebruik kende, bevonden deze zich echter op een diepte vanaf circa 100 cm -mv. In de tijd dat de meandergordel/stroomgordel van Mars-Oude Rijn actief werd is binnen het plangebied vervolgens een pakket oever-/komachtige afzettingen (sterk siltige klei) gesedimenteerd. De top van dit pakket betreft de oorspronkelijke bouwvoor en is door agrarisch gebruik bewerkt (ploeg-werkzaamheden, gebruik als grasland en boomgaard volgens historisch kaartmateriaal) als ook in enige mate verstoord tijdens de bouw van de onderkelderde woning, vanwege de vermenging met enkele resten betonpuin en baksteen. Het aanwezige bodemprofiel in de top van deze oever-/komachtige afzettingen gesedimenteerd tijdens de actieve fase van de meandergordel/stroomgordel van Mars-Oude Rijn betreft dan ook een kalkloze poldervaaggrond. Voor een groot deel van de tuin rondom de huidige woning geldt dat verstoring van de oorspronkelijke bodemopbouw vrij beperkt is geweest. Alleen in het zuidwestelijke deel van het plangebied zijn diepere verstoringen waargenomen, Verder bestaat de gemiddeld bovenste 130 cm van de huidige bodemopbouw uit aangebrachte/opgeworpen grond, afkomstig uit de uitgegraven bouwkuip van de bestaande en onderkelderde woning die in 1992 is gebouwd.Het antropogeen materiaal in de aangebrachte/opgeworpen grond als de oorspronkelijke bouwvoor betreft (enkele) resten betonpuin en baksteen, zeer waarschijnlijk afkomstig van de bouwwerkzaamheden die zijn uitgevoerd tijdens de bouw van de onderkelderde woning binnen het plangebied. Het is niet archeologisch relevant. In de onverstoorde bodem zijn geen archeologische indicatoren aan-getroffen. ConclusieOp basis van het ontbreken van archeologisch relevante indicatoren, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet aanwezig zullen zijn. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, wordt door het booronderzoek merendeels bevestigd voor wat betreft de land-schappelijke ligging/paleogeografische ontwikkeling van het plangebied, echter niet voor wat betreft de hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten daterend uit de perioden Laat-Neolithicum t/m Middeleeuwen. Deze verwachting voor kan dan ook worden bijgesteld naar geen verwachting.AdviesOp grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden, adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Ar-cheologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Voor het merendeel van het tuingedeelte rondom de bestaande en onderkelderde woning geldt dat bodemverstorende ingrepen vrij beperkt zijn geweest, waardoor het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau nog (merendeels) intact aanwezig zijn. In géén van de boringen zijn echter archeologisch relevante indicatoren dan wel een door de mens gevormde cultuurlaag aangetroffen.Reactie namens bevoegd gezagNamens gemeente Neder Betuwe gaan wij akkoord met de resultaten, conclusies en aanbevelingen/het selectieadvies van dit onderzoek. Ten aanzien van archeologie zijn er derhalve geen belemmeringen meer voor de uitvoering van de voorgenomen plannen. De meldingsplicht archeologische toevalsvondst (art. 5.10 Erfgoedwet) en het doen van waarnemingen (art. 5.11 Erfgoedwet) blijft echter ten allen tijden van kracht.

Date Accepted: 20-07-2020

Date Accepted: 2020-07-20

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-zp3-cewu
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-zp3-cewu
Provenance
Creator E.M. ten Broeke
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor E.M. Broeke, ten; E.M. ten Broeke (Econsultancy); Econsultancy
Publication Year 2020
Rights DANS Licence; info:eu-repo/semantics/restrictedAccess; https://doi.org/10.17026/fp39-0x58
OpenAccess false
Contact E.M. Broeke, ten (Econsultancy)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; application/pdf
Size 11638; 8074901; 11575; 1066; 4585
Version 1.0
Discipline Humanities