Het doel van het onderzoek is vast te stellen wat aard, de omvang en fysieke kwaliteit is van een archeologische vindplaats, die in een eerder uitgevoerd waarderend onderzoek werd aangetroffen (Buitenhuis 2006). Het waarderend onderzoek toont aan dat er zowel op de noord- als op de zuidhelling van deze zandkop sprake is van een vondstconcentratie. De beide vindplaatsen hebben geen kwalitatieve hoge waarde, maar zijn wel van belang. Gezien de aanwezigheid van aardewerk is het waarschijnlijk dat de resten uit het Vroeg-Neolithicum komen, aangezien het terrein in het Midden-Neolithicum te nat wordt voor bewoning. Gezien de kwalitatieve waarde van de vondsten en de diepte waarop zij zijn gevonden (1,85-2,50 m -mv), is mede in samenspraak met drs. A.A. Kerkhoven, toenmalig provinciaal archeoloog en bevoegd gezag, geconstateerd dat het aanbevelenswaardig is de noordelijke en zuidelijk concentraties, beide locaties van ca. 25X20, in situ dienen te worden behouden. Aanpassing van het projectplan om deze locaties ongemoeid te laten wordt sterk aanbevolen. Voor het overige deel van deze zandkop is aangegeven door het bevoegd gezag dat het kan worden bebouwd, met de aantekening dat indien door graafwerkzaamheden als het leggen van leidingen en/of rioleringen, dit met archeologische begeleiding dient plaats te vinden. De definitieve beslissing omtrent deze aanbeveling dient te worden genomen door het huidig bevoegd gezag, drs. M. Diepenveen.
Date: 12 - 19 februari 2007 (uitvoering)