In november 2015 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het kader van het project TenneT “Specials” in verbinding EOS – VLL, tijdelijke masten in de gemeente Zuidhorn (Groningen). De aanleiding voor het onderzoek vormt de voorgenomen aanleg van zeven tijdelijke hoogspanningsmasten. In het kader van deze ontwikkeling dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Voor het plangebied is geen gemeentelijk archeologisch beleid van toepassing. De archeologische onderzoeksplicht vloeit in dit geval voort uit de Monumentenwet 1988, waarbij archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm –mv. Uit het bureau- en booronderzoek blijkt dat het plangebied in een kweldergebied ligt, dat sinds het Neolithicum is ontstaan. In de Bronstijd is het plangebied overdekt geweest met veen, waarna in de IJzertijd kwelderwallen ontstaan waarop bewoning plaatsvindt. Vanaf de Late Middeleeuwen vindt ook bewoning plaats in de kweldervlakte. Rondom het plangebied liggen drie mogelijk laatmiddeleeuwse huisplaatsen. Op de kwelderwal (ter plaatse van mastlocaties 1 - 3) is sprake van een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode IJzertijd – Nieuwe Tijd . In de kweldervlakte is juist sprake van een middelhoge verwachting op sporen van landgebruik uit de IJzertijd – Vroege Middeleeuwen en op bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd (boringen 4 – 7). Rondom de bekende huisplaatsen (bij mastlocaties 1, 2 en 6) is een grote kans op off site-resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Uit de boringen blijkt dat de bodem ter plaatse van de mastlocaties niet verstoord is. Verder heeft het onderzoek aangetoond dat ter plaatse van de mastlocaties een maaiveldniveau en/of vondstlaag uit de IJzertijd aanwezig is. Op mastlocatie 7 is in dit niveau aardewerk uit de IJzertijd aangetroffen. Deze vondst bevestigt de (middel)hoge verwachting van het plangebied.