Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Graafdijk (Lopik Perceel F1677) te Lopik, gemeente Lopik (UT)

DOI

Laagland Archeologie heeft in juni 2025 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Graafdijk (Lopik Perceel F1677) te Lopik. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de bouw van een vrijstaande woning en bijgebouw.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen.Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Op basis van het bureauonderzoek bleek dat het plangebied deel heeft uitgemaakt van de Lopikse stroomgordel en deze rivierstroom was actief in de periode van 3700 tot 2400 voor Christus. Na het droogvallen werd de stroomgordel geschikt voor bewoning.In de top van de oeverafzettingen van de Lopikse stroomgordel, op ongeveer 80 tot 110 cm onder het maaiveld, kunnen archeologische waarden uit het Neolithicum tot en met de IJzertijd aanwezig zijn. Een eventuele archeologische vindplaats bestaat waarschijnlijk uit de resten van een agrarische nederzetting en zal zich manifesteren als een archeologische laag; een humeuze, ontkalkte laag met daarin kleine aardewerkfragmenten, brokjes verbrande leem en houtskool. Dit niveau is bedekt geraakt met een laag komklei.Vanwege de ligging naast de Graafdijk kunnen archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd aanwezig zijn. Een eventuele archeologische vindplaats zal bestaan uit de resten van een boerenerf en zal zich manifesteren als een concentratie van aardewerk en resten bouwmateriaal in een humeuze opgebrachte laag direct onder het maaiveld. Op basis van het historische kaartmateriaal worden geen resten van een boerenerf verwacht, maar dit valt voor de periode voor 1800 nog niet helemaal uit te sluiten.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Uit het booronderzoek blijkt dat de ondergrond uit beddingafzettingen van de Lopikse stroomgordel bestaat. Dit wordt afgedekt door een 15 tot 20 cm dikke vegetatiehorizont. Oorspronkelijk zal een dunne laag oeverafzettingen aanwezig zijn geweest. De donkergrijze vegetatiehorizont ligt op 80 á 110 cm onder het maaiveld en op dit niveau zijn houtskoolfragmenten en een aardewerkfragment uit de IJzertijd gevonden. De vegetatiehorizont kan daarom als archeologische laag beschouwd worden. Dit gaat naar boven toe over in een laag komklei met in de top daarvan een humeuze, omgewerkte en deels opgebrachte laag. In de humeuze laag zijn steenkoolgruis-fragmenten aanwezig en het betreft hier dus de recente bouwvoor/recent omgewerkte grond. In het westen van het plangebied is sprake van een relatief diepe bodemverstoring, maar deze verstoring reikt niet tot in de archeologische laag in de ondergrond. Voor de aanwezigheid van een boerenerf uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd zijn geen aanwijzingen gevonden.Tijdens het booronderzoek is in het plangebied een archeologische vindplaats uit de IJzertijd ontdekt. Deze vindplaats en de vegetatiehorizont elders in het plangebied kunnen ontzien worden door het toepassen van archeologievriendelijk bouwen. Dit kan door een maximale verstoringsdiepte van 50 cm onder het maaiveld te hanteren en een ?beperkt? heipalenplan, waarbij 2% of minder van het oppervlak van het plangebied ?bedekt? zal worden door heipalen en gewerkt gaat worden met een minimale afstand van 4 meter tussen twee rijen heipalen. Als dit toegepast kan worden, dan kan het plangebied vrijgegeven worden voor de voorgenomen ontwikkeling.Indien dit niet mogelijk is adviseren wij de mogelijke archeologische vindplaats in nader te onderzoeken door het uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). De werkwijze van het proefsleuvenonderzoek dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Lopik, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente (ODRU). De ODRU adviseert de gemeente Lopik in te stemmen met het selectieadvies.Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (033 421 74 56) of via de website: www.cultureelerfgoed.nl/contact.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/A9EMHT
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/A9EMHT
Provenance
Creator Laagland Archeologie VOF
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Functioneel Applicatiebeheer GBO; Laagland Archeologie
Publication Year 2026
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Functioneel Applicatiebeheer GBO (BIJ12)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; application/pdf; application/gml+xml; application/octet-stream; application/zip
Size 11910; 7455; 2281572; 7423; 125943; 3708939; 375920; 62081; 10034; 12441; 4287; 3882; 1822; 3883; 208220; 54336; 6689; 4216; 25451; 265727; 2884
Version 1.0
Discipline Humanities