In opdracht van de gemeente Tilburg (Noord-Brabant) heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC een archeologische begeleiding in de vorm van IVO-P (variant AB) uitgevoerd voor het plangebied ‘loopgraaf Hulten’. Aanleiding voor het onderzoek is het aantreffen van een loopgraaf bij het benaderen van conventionele explosieven binnen het plangebied (door een gecertificeerd OCEbedrijf1). Binnen de contouren van deze loopgraaf is een significante verstoring in de detectiedata waargenomen, die blijkens de voorafgaand aan het onderzoek voorhanden zijnde informatie niet op de reguliere manier verwijderd kon worden. Tevens zijn er in de directe omgeving van deze verstoring diverse objecten aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan deze loopgraaf en haar bijbehorende structuren. De bodemverstoring tijdens het verwijderen (gecontroleerd ontgraven) van deze verstoring ten behoeve van het benaderen van conventionele explosieven was te verwachten tot in het sporenniveau van de loopgraaf, waarbij het in de lijn der verwachting lag dat er sporen zouden worden aangetroffen. Daarbij bestond een gerede kans dat eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord of vernietigd zouden worden.Het doel van het onderzoek was het documenteren van alle archeologische resten uit de Tweede Wereldoorlog, waarbij ook gekeken werd of er onverwacht sporen uit andere perioden aanwezig waren. Van dit laatste is tijdens het onderzoek geen sprake geweest. Tijdens het onderzoek – in de vorm van de archeologische begeleiding van munitieopsporingswerkzaamheden - is de gehele loopgraaf binnen het plangebied blootgelegd, waarbij een totale oppervlakte van 532 m2 is onderzocht.Binnen het onderzoeksgebied (bestaande uit één werkput, werkput 1) werden conform verwachting resten van een communicatieloopgraaf en een vuurstelling aangetroffen. Het complex werd gekenmerkt door de veldmatige (Feldmässige) inrichting van deze structuren en de relatieve vondstenloosheid van de vullingen hiervan. De communicatieloopgraaf met bijbehorende vuurstelling past in het beeld van laat-oorlogse stellingcomplexen voor zware en lichte Flak in Nederland, waarbij er nadruk ligt op de nabijverdediging van deze complexen tegen grondaanvallen. Dergelijke nabijverdediging voor luchtafweerstellingen bij Fliegerhorsten duikt in primaire bronnen op direct na de geallieerde inval in Normandië in juni 1944, waarna geallieerde jachtbommenwerpers stelselmatig Duitse defensieve structuren aanvielen in West-Europa. Er kan dus aangenomenworden dat de structuren binnen het plangebied ook na deze periode zijn aangelegd. Uit het onderzoek is niet gebleken of er een stuk geschut of ander wapen in de vuurstelling aan de zuidkant van het plangebied was geplaatst, en zo ja, welk type of kaliber dit was. Uit het historisch onderzoek blijkt echter dat het zeer waarschijnlijk is dat het hier ging om een stuk in het kaliber 2 cm (20 x 138 mm B). Dit past ook in het beeld van de Duitse laat-oorlogse defensieve tactieken voor het beveiligen van vliegvelden. Daarbij werd er rekening gehouden met een open schootsveld en dat het gehele terrein vlakdekkend onder vuur genomen kon worden.Mogelijk is de communicatieloopgraaf in twee fasen aangelegd, namelijk de noordelijke 20 meter van de loopgraaf – die beduidend ‘slordiger’ is geconstrueerd – en de rest van de loopgraaf. Het is onbekend gebleven wanneer deze aanleg precies heeft plaatsgevonden. Aan de noordzijde van bevindt zich een zogenaamde Ausweichnische, een nis waardoor men elkaar kon passeren. Aan de noordzijde van de loopgraaf is deze aangesloten opde afwateringsgreppel van het voormalige pad alhier. Aan de zuidzijde is aangesloten op de vuurstelling, die zich manifesteert in een soort trample zone, de uiterste bodem van deze stelling. De vondst van twee beschadigde (ingekorte) stalen hulzen in het kaliber 8,8 cm (Flak, Duits) wijzen erop dat er op enig moment in elk geval stukken geschut in het kaliber 8,8 cm ingezet zijn geweest in de vuurstellingen ten noorden van het plangebied. Dit wordt ondersteund door de bekende historische informatie over de inzet van Flak rond Fliegerhorst Gilze-Rijen. Opgemerkt dient te worden dat er slechts enkele stuks vondstmateriaal zijn aangetroffen, waarvan niets is geselecteerd voor uitwerking. De aangetroffen structuren dragen bij aan de kennis over de randstructuren van Duitse vliegvelden, in Nederland en daarbuiten. Stellingen voor zwaar luchtdoelgeschut vormden min of meer ruimtelijk onafhankelijke ensembles, waardoor onderzoek naar deze ensembles van groot belang kan zijn voor het reconstrueren van de inrichting en het gebruik van zowel zware als lichte Flak in deze context. Ook met betrekking tot de historie van Fliegerhorst Gilze- Rijen kan verder onderzoek naar dit stellingcomplex een toegevoegde waarde hebben, aangezien er uit historische bronnen (vooralsnog) niet te reconstrueren is welke eenheden er precies rond het vliegveld ingezet zijn geweest, en waar deze precies gelegen waren. Voorts hangen de stellingen voor luchtdoelgeschut samen met diverse geallieerde luchtaanvallen op het vliegveld en diverse Abschüsse die in de omgeving zijn gedaan.