Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek
Op basis van het in juli 2022 uitgevoerde bureauonderzoek blijkt dat het plangebied een hoge verwachting heeft op het voorkomen van archeologische resten/sporen uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Middeleeuwen. Alleen voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag, uitgezonderd de hoge verwachting op resten uit de Tweede Wereldoorlog. Het plangebied ligt in een overgangszone, van de oostelijk georiënteerde flanken van het stuwwallengebied van Nijmegen naar de verder naar het oosten toe lopende daluitspoelingswaaiers en die waarschijnlijk afgedekt is met löss. Deze landschappelijke gradiëntzone vormde voor Jagers-Verzamelaars ((Laat-)Paleolithicum - Mesolithicum) gunstige locaties voor (tijdelijke) bewoning. Ook voor Landbouwers (vanaf het Neolithicum) vormde het plangebied een gunstige locatie voor permanente bewoning. De verwachte (zandige) lössleemhoudende en daarmee vruchtbare bodems, vormde geschikte akkergronden. Gravend onderzoek langs de zuidwestzijde van de Parachutistenstraat, circa 200 meter ten oosten van het plangebied, heeft vindplaatsen uit zowel Steentijd (vuurstenen artefacten oplevert uit het Laat-Paleolithicum en het Midden-Neolithicum) als uit de Late-Prehistorie (nederzettingssporen uit de perioden Midden-IJzertijd t/m Vroeg-Romeinse tijd). De aard en ligging van de opgegraven resten maakt duidelijk dat de opgraving een uitsnede is van een veel groter gebied met archeologische resten dat zich vanuit het onderzochte terrein in alle richtingen uitstrekt (en daarmee wellicht binnen de begrenzing van onderhavig plangebied?).
Alleen voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal geeft geen aanwijzingen dat het plangebied binnen een historisch erf heeft gelegen. Wel is er in de omgeving gedurende de Tweede Wereldoorlog hevig gevochten. Resten van de Tweede Wereldoorlog kunnen dan ook worden teruggevonden (verwachting is hoog). Geadviseerd is een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek, met als doel het vaststellen van het oorspronkelijk bodemprofiel en het op basis van de omvang van de bodemverstoring definiëren van kansarme en kansrijke zones.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat er over het algemeen sprake is van een merendeels intact bodemopbouw binnen (de onbebouwde delen van) het plangebied. Onder een gemiddeld 25 cm dikke ophooglaag ligt de verwachte poldervaaggrond in zandige leem, bestande uit de voormalige, agrarisch bewerkte bouwvoor van zwak humeuze, sterk zandige leem (Ap-horizont), gevolgd door de C-horizont. Dit oorspronkelijke moedermateriaal bestaat uit löss en verspoeld hellingsmateriaal. De bodemopbouw oogt verstoord ter plaatse van de boringen gezet in de voortuinen, in de noordwestelijke strook van het plangebied. Hier is echter een dikkere laag opgebrachte grond aanwezig en de overgang naar de onverstoorde C-horizont bevindt zich ten opzichte van NAP op een diepte vergelijk met waar de overgang van de agrarisch bewerkte bouwvoor (Ap-horizont) naar de C-horizont plaatsvind in het overige deel van het plangebied (achtertuinen).
Op basis van de aangetroffen bodemopbouw zal het archeologisch potentiële vondstniveau binnen het plangebied zijn verstoord. Vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars, welke voornamelijk bestaan uit strooiingen van fragmenten vuursteen en (beperkt voorkomen van) ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke bodem, zullen waarschijnlijk al verloren zijn gegaan (geen in situ gelegen strooiing van fragmenten vuursteen). Het archeologisch potentiële sporenniveau is nog wel (merendeels) intact aanwezig.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten en sporen uit de perioden Neolithicum t/m de Middeleeuwen in ieder geval behouden blijft. Voor vuursteensites uit de perioden (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum wordt de kans klein geacht om deze nog (deels) intact aan te treffen en kan de verwachting bijgesteld worden naar een lage verwachting. Archeologische sporen en in situ gelegen resten van Landbouwers kunnen direct onder de agrarisch bewerkte bouwvoor in de top van de C-horizont worden aangetroffen, op een diepte van circa 55 cm -mv (rond circa 25,8 m +NAP). Mocht er worden overgegaan tot het realiseren van nieuwbouwwoningen, waarbij gebouwd gaat worden “op staal” en graafwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd tot minimaal 80/100 cm -mv, zullen eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. Vervolgonderzoek zal binnen het plangebied bij deze ontwikkelingen dan ook noodzakelijk zijn.
Binnen de oppervlakte van de huidige bebouwing (2 twee-onder-een-kap woningen) is het archeologisch potentiële sporenniveau al wel verstoord/vergraven. Hier hebben voor de aanleg van bouwkuipen en een bakstenen fundering tot circa 80 cm -mv reeds verstoringen/ontgravingen plaatsgevonden tot zeker 25 cm in de oorspronkelijke top van de C-horizont.
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO-O) wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het gehele plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren, mocht er daadwerkelijk worden overgegaan tot het realiseren van nieuwbouwwoningen. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek. Het doel hiervan dient te zijn de intactheid, spreiding, diepte en mate van verstoring van archeologisch kansrijke niveaus in kaart te brengen en op basis daarvan inzichtelijk te maken wat de consequenties zijn van de voorgenomen plannen op mogelijke archeologische resten. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is alleen mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt door niet dieper te ontgraven dan de door de bevoegde overheid aangegeven vrijstellings-diepte van 40 cm onder het huidige maaiveld (bijvoorbeeld door het plangebied/de te bebouwen terreindelen op te hogen). In de praktijk zal dit lastig uitvoerbaar zijn, gezien de wens te gaan bouwen op de vaste ondergrond (‘bouwen op geel zand’) en het aanleggen van nieuwe nutsvoorzieningen (waarvoor sleuven zullen worden uitgraven).
Binnen de oppervlakte van de huidige bebouwing (2 twee-onder-een-kap woningen) wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht, op basis van de verwachte verstoringen/ontgravingen tot zeker 25 cm in de in de oorspronkelijke top van de C-horizont.
Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Berg en Dal, en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door mevrouw E.K. Mietes, regioarcheoloog regio Nijmegen, d.d. 13 september 2023). Met bovenstaand advies wordt ingestemd.