Gespecificeerde archeologische verwachtingVanuit het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische waarden daterend uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Late-Middeleeuwen. Verzamelde landschappelijke gegevens geven aan dat het plangebied binnen het Zuid-Veluwse stuwwallenlandschap ligt en specifiek op de overgang van een hoge stuwwal naar een daluitspoelingswaaier. Voor Jagers-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum t/m Vroeg-Neolithicum) had het plangebied een gunstige ligging als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). Daarna vormde voor Landbouwers hellingsafspoelingen (daluitspoelingswaaiers) geschikte locaties voor permanente bewoning. De van nature voldoende gedraineerde en vruchtbare gronden van sneeuwsmeltwaterafzettingen waren geschikt voor gebruik als akkerland. Op basis van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal was het plangebied in de tweede helft van de 18e eeuw al in agrarisch gebruik, waardoor plaggenbemesting in ieder geval al in deze tijd heeft plaatsgevonden. Plaggenophoging is vaak al in de Late-Middeleeuwen begonnen, toen op grote schaal het systeem van potstalbemesting werd toegepast. Ondanks de hoge verwachting hebben archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied tot op heden geen vindplaatsen opgeleverd. Eerder uitgevoerde prospectieve onderzoeken hebben veelal recente verstoringen aangetoond.Resultaten inventariserend veldonderzoekOp basis van de resultaten van het gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek blijkt dat er sprake is van een intacte bodemopbouw in het centraal-zuidelijke deel van het plangebied. Het van nature gevormde bodemprofiel betreft een holtpodzolbodem/bruine bosgrond. Menselijke bewoningsactiviteiten/agrarische activiteiten van de top van deze bodem heeft geleidt tot de vorming van een oude akkerlaag/cultuurlaag. In deze laag een fragment Karolingisch grijs aardewerk aangetroffen uit de 8e of 9e eeuw en een verdikt randfragment van een deel van een Kogelpot met een datering 8e tot 12e eeuw. Dit vondstmateriaal wordt beschouwd als indicator van een mogelijke vindplaats uit het einde van de Vroege- of het begin van de Late-Middeleeuwen. Voor het centraal-zuidelijke deel van het plangebied geldt dat het archeologisch vondstniveau zich bevindt direct onder het plaggendek, op een diepte tussen circa 25 en 45 cm -mv. Archeologische sporen, indien aanwezig, kunnen al zichtbaar zijn vanaf een diepte van minimaal 45 cm -mv (circa 28,25 m +NAP), in de BC- en de top van de C-horizont. In de overige delen van het plangebied (noordelijk gelegen braakliggend terreindeel en zuidelijk gelegen terrasgedeelte) is een dikker pakket humeuze grond aangetroffen, gevolgd door een vlekkerige overgang naar de C-horizont. Waarschijnlijk is dit het gevolg van verstoringen ten gevolge van de inrichting van de verschillende terreindelen dan wel door bouwactiviteiten op aangrenzende terreindelen. Het pakket humeuze grond betreft waarschijnlijk deels omgewerkt plaggendek en deels van elders aangevoerde grond, gezien de antropogene vermenging met fijne resten bouwpuin, bak-steenpuin en plaatselijk mortel en grote stukken van stoeptegels (vermoedelijk sloopafval). Archeologisch vondstmateriaal wordt hier niet meer in situ verwacht en ten aanzien van archeologische sporen zal het hooguit gaan om dieper doorlopende sporen, indien aanwezig. In het dikke pakket humeuze grond/plaggendek is verder vondstmateriaal aangetroffen daterend vanaf de 17e tot 20e eeuw. Het naast elkaar voorkomen van zowel wat ouder als relatief jong materiaal wijst op verspitting. ConclusieOp basis van de geleverde onderzoeksinspanning en de daarbij aangetroffen archeologische indicatoren wordt geconcludeerd dat er binnen het centraal-zuidelijke deel van het plangebied nog een archeologische vindplaats kan worden verwacht. Juist binnen dit deel van het plangebied zijn bode-mingrepen gepland waarbij zowel het archeologisch vondstniveau als het potentiële sporenniveau zal worden verstoord. In de overige delen van het plangebied (noordelijk gelegen braakliggend terreindeel en zuidelijk gelegen terrasgedeelte) kunnen eventueel dieper doorlopende archeologische sporen worden verwacht vanaf minimaal 80 cm -mv, echter hier zijn geen bodemverstorende ingrepen gepland tot deze diepte dan wel dieper.AdviesOp grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het centraal-zuidelijke deel van het plangebied, waar de uitbreiding aan de zuidwestzijde van een bestaand pand is gepland, een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Hier is namelijk sprake van een intacte bodemopbouw en bevindt het archeologische vondst- als sporenniveau zich op een diepte waardoor behoud in situ niet mogelijk is bij een ongewijzigd inrichtingsplan. Gezien de beperkte oppervlakte van de uitbreiding binnen het centraal-zuidelijke deel van het plangebied en de praktische uitvoerbaarheid, is het meest efficiënt het gravend onderzoek direct te laten plaatsvinden in de vorm van een opgraving – variant archeologische begeleiding van de geplande graafwerkzaamheden ten behoeve van de uitbreiding.Voor de opgraving – variant archeologische begeleiding dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE dient te worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Arnhem).Ten behoeve van de realisatie van de buitenruimte aan de noordwestzijde van het plangebied is geen vervolgonderzoek noodzakelijk, aangezien hier bodemingrepen beperkt blijven tot het pakket geroerde/teruggestorte humeuze grond.
Date Accepted: 15-11-2021
Date Accepted: 2021-11-15